Preek van zondag 8 maart 2020 Preek van zondag 8 maart 2020
Een vrij bizar verhaal – de Bijbel als gesprekspartner
Wordt het geen tijd dat we de Bijbel herschrijven of een Derde Testament gaan schrijven? Die vraag kreeg ik ooit van een oude baas in Kesteren, mijn vorige gemeente. Hij kon volop genieten van de prachtige verhalen die je zowel in het eerste en tweede testament tegenkomt, het Oude  en Nieuwe. Maar ook voelde hij het af en toe flink schuren, dan zou hij de Bijbel willen corrigeren en herschrijven met de kennis van nu. Dan zou je een vleugje evolutie kunnen toevoegen aan het scheppingsverhaal. En er zou een dikke streep gaan door de geweldsverhalen waarin God opdracht geeft hele steden uit te moorden. Want dat kom je tegen bij Jozua en zijn intocht in het land Kanaän. Dat Derde Testament zou zo een vredelievende en tegelijk geactualiseerde versie worden van de eerste twee. Dat voorstel heeft zelfs ‘God is niet te vangen’ gehaald, het boek dat ik destijds met 13 gemeenteleden in Kesteren heb geschreven. Maar Bert – de oude baas in kwestie ‒ was het wel met me eens dat zo’n Derde Testament geen goed idee is. Als je daaraan begint, is het einde snel zoek. Nee, je kunt je beter afvragen hoe wij nu, twee- tot drieduizend jaar later, omgaan met de lastige, bloederige of bizarre verhalen die met enige regelmaat in de Bijbel voorbijkomen. Verhalen die flink kunnen schuren of die je ronduit tegenstaan.
Vanochtend lazen we ook zo’n bizar fragment. Mozes heeft na rijp beraad besloten terug te keren naar Egypte om daar de confrontatie met de farao aan te gaan. Maar onderweg, midden in de nacht, doet God opeens een poging hem te doden. Wat is hier aan de hand, wat is dit voor een schimmig verhaal? En het wordt bloederig en vrij bizar als Sippora, zijn vrouw, ter plekke hun zoon besnijdt en vervolgens met dat stukje voorhuid de voeten van Mozes aanraakt. Zeker als je weet – en daar zijn de meeste uitleggers het wel over eens – dat die voeten een eufemisme zijn, een verwijzing naar het geslachtsdeel van Mozes. Zodat het lijkt alsof hij hier zelf ook besneden wordt. Want was Mozes dat eigenlijk wel, of was dat er in Egypte, aan het hof van Farao, en ook later in het land Midjan nooit van gekomen? Dat blijft in Exodus wat in het midden. Al met al is het een vrij bizar verhaal. Die woede van God richting Mozes, midden in de nacht.
Het zou kunnen getuigen van een zekere halfslachtigheid bij Mozes. Dat wordt graag door joodse rabbijnen benadrukt. Mozes zou nog teveel op twee gedachten hinken en zich niet vol overgave toewijden aan de zaak van God, de bevrijding van zijn volk. In Exodus blijft hij tegensputteren, en ook het feit dat zijn zoon niet besneden is, kan hiervan getuigen. En wordt ‒ heel opvallend ‒ Sippora hier de enige vrouw in de Bijbel die haar zoon besnijdt! Zo bevestigt zij hier het verbond met God. Maar eigenlijk had Mozes dat zelf moeten doen. Is hij inderdaad halfslachtig en wispelturig, en nog volop in verwarring over zijn identiteit? Ja, wie is hij en wil hij zijn:? Opgegroeid als Egyptenaar, vervolgens jarenlang Midjaniet, en nu alsnog solidair met de Hebreeërs, zijn afkomst, dat slavenvolkje dat zal uitgroeien tot Israël. Ja, voor zo’n identiteitsverwarring zijn alle ingrediënten aanwezig. En dan zou God hem hier dus vol ongeduld voor het blok zetten: kies nu, en kies dan met volle overtuiging! Voor de Bijbel is dat een zaak van leven en dood.
Anderen vermoeden dat Mozes die nacht overvallen is door een plotseling opkomende ziekte, en dat dit verhaal daar misschien op inspeelt. Zelf doet het me ergens denken aan een nachtmerrie. Niet dat ik daar veel last van heb, maar eens in de zoveel jaar word ik wel eens wakker van zo’n droom waarin je opgesloten zit of achtervolgd wordt door iemand die je naar het leven staat. En er zijn mensen die daar helaas met grote regelmaat mee te maken hebben. Dan worstelen ze met angsten of traumatische ervaringen die zich juist in de nacht, als je weerloos bent, aandienen. Angsten die nu ook kunnen opkomen bij zo’n ongrijpbaar coronavirus.  Of er zit diep in hen een innerlijk conflict dat juist ’s nachts naar boven komt. Zoiets kan ook heel goed bij Mozes spelen. Hij is vroegtijdig bij zijn moeder weggehaald en toen in een vreemde omgeving opgegroeid. Wat doet dat met een mens? En hij is, vertelde Exodus eerder, een moordenaar geworden toen hij in een vlaag van woede een Egyptenaar doodsloeg. En nu, nu is hij verward en ronduit bevreesd voor de taak die hem te wachten staat in Egypte. Zo diep menselijk, vol verwarring en innerlijke conflicten, wordt de grote leraar en leider van Israël hier uitgetekend.
Hoe dan ook – ik stel voor dat we dit verhaal niet schrappen maar, met een beetje jeuk, gewoon laten staan. Dat geldt ook voor het dreigement dat God in ditzelfde fragment uit tegen de farao. Hier in Exodus 4 staat al wat later zal gebeuren: God laat de eerstgeborenen in Egypte sterven. Ook daar word je niet vrolijk van. Speelt God met kinderlevens? Gaan onschuldige kinderen boeten voor de fouten van hun ouders of anders wel van hun machthebbers? Wat is dat voor een straffende of wrekende God, niet alleen in Exodus maar ook elders in de Bijbel? Is dit dezelfde als die liefdevolle Vader als die van de dichter van Psalm 25 of 103, of dezelfde liefdevolle Vader die Jezus ons laat zien? En voor we hier het Nieuwe tegen het Oude Testament uitspelen: er zijn toch ook meerdere profeten die hiertegen protesteren? Neem in het Oude Testament iemand als Ezechiël: hij geeft duidelijk aan dat een mens alleen voor zijn eigen fouten verantwoordelijk is. Zo weerlegt hij de nare gedachte dat kinderen de schuld van hun ouders moeten dragen. Ook die tegenstem klinkt gelukkig in de Bijbel. Het is geen boek van slikken en stikken. En je kunt niet één tekst eruit lichten en heilig verklaren, als het laatste, allesbeslissende woord van God. Dan ben je selectief bezig en ga je grote brokken maken. En ik moet toegeven, dat is helaas al te vaak onder christenen gebeurd.
Het mooie maar tegelijk lastige van de Bijbel is, dat stem en tegenstem door elkaar heen klinken. Bijbelschrijvers kunnen elkaar bijvallen maar ook ronduit tegenspreken. Stemmen als die van Prediker en Job zijn echt anders dan die in Exodus of Jozua. En regelmatig, als het bijvoorbeeld over vijanden of kinderen gaat, dan zegt het Nieuwe Testament echt andere dingen dan het Oude. Daarom is bijbellezen niet eenvoudig, en moeten we ook niet doen alsof. We horen meerdere stemmen naast elkaar en door elkaar heen, en al lezend mag ook onze eigen stem volop meedoen. Juist dat laatste doen we vaak te weinig: we mogen veel meer vrijheid nemen, door onze eigen kritische stem in te brengen in het gesprek met de Bijbel. Dat is geen dictaat, geen wetboek maar een gespreksgenoot. Een goede vriend met ook z’n rafelrandjes.  Die gespreksgenoot vraagt dan niet alleen om herkenning en bijval maar ook om tegenspraak en protest. Je hoeft niet alles voor zoete koek te slikken. Als een bijbelschrijver dus beweert dat God kinderen laat boeten om wat hun ouders ooit deden, dan kun je daar terecht een vraagteken bij plaatsen en tegen protesteren.
U wist al, gemeente, dat ik me graag een liberaal theoloog noem. En anders hebt u dat wel begrepen uit het laatste kerkblad – die mooie gezamenlijke uitgave met de Hervormde gemeente. Dat liberale heeft voor mij met name met die vrijheid te maken. Die is niet alleen wezenlijk voor onze omgang met de Bijbel, maar voor alles wat in de kerk door de eeuwen heen zoal beweerd is in naam van God. Het is goed het geloof van ons voorgeslacht serieus te nemen, maar je hoeft daar niet klakkeloos in mee te gaan. Het is juist belangrijk om in alle vrijheid elkaar kritische vragen te stellen en samen je twijfel te uiten. Die ruimte heb je nodig om in deze tijd je eigen geloof te ontwikkelen, een geloof dat meer en meer iets van jezelf wordt. Dat ziet er vaak heel anders uit dan vroeger, maar is daarmee niet minder waardevol. Integendeel, zou ik zeggen!
Tot slot nog even iets heel anders, gemeente. Is het u opgevallen dat Israël in Exodus 4 nadrukkelijk door God zijn zoon wordt genoemd: Israël, jij bent mijn zoon, mijn eerstgeborene. En dat Jezus in Matteüs 17, boven op de berg van de verheerlijking, ook zoiets te horen krijgt: jij bent mijn zoon, ja, mijn geliefde zoon. Al snel denken wij bij zulke zonen aan min of meer goddelijke wezens. In die zin lieten Romeinse keizers zich wel zoon van God noemen. Zo’n hemelse oorsprong moest hun gezag hier op aarde onderstrepen. Maar in de Bijbel kan een volk, nota bene een onbetekenend slavenvolk, zomaar deze titel dragen: zoon van God, door hem bemind. En in het Nieuwe Testament is die titel weggelegd voor een Messias die gekruisigd wordt en zal sterven. God heeft een wonderlijke voorkeur voor kwetsbare mensen. Juist zij mogen zijn zoon of dochter heten. En je groeit uit tot zijn geliefde zoon of geliefde dochter, als je deze goddelijke liefde naar alle kanten uitstraalt in je omgeving.
Precies dat doet Jezus als geen ander. En daarom staat Hij daar stralend boven op die berg, in het volle licht. Hij, zoon van Israël en zoon van de Eeuwige, zal op unieke wijze de liefde van God belichamen. Hij zal God woord tot leven brengen – want dat is waar het in de Bijbel op aankomt. Je hoeft niet alles zomaar te geloven, maar het is een boek om te leven zoals Jezus ons dat voorleeft. Liefdevol leven in verbondenheid met God en je naaste. Zo ontfermt Jezus zich – gaan we zingen in Lied 534 ‒ over de zieken en komt Hij de treurenden nabij. Hij koestert de armen en voedt de hongerigen. En zijn woorden van troost en verhalen vol hoop inspireren al diegenen die uitzien naar Gods rijk van vrede en recht. Daartoe is Israël en zijn wij allen geroepen. We mogen uitgroeien tot wat ons is aangezegd en beloofd: we zijn dochters en zonen, we zijn kinderen van God. Amen


 
terug