Preek van zondag 20 september 2020 Preek van zondag 20 september 2020
Gemeente van Jezus Christus

De meesten van ons kennen Paul Verhoeven wel, en dan als filmregisseur. In Nederland maakte hij Turks Fruit en Zwartboek, in Amerika kaskrakers als Robocop en Basic Instinct. Maar wat veel mensen niet weten, is dat deze Paul Verhoeven een grote belangstelling voor Jezus koestert. Je kunt hem niet zomaar een gelovige noemen, maar hij is wel oprecht geïnteresseerd. Met name in de vraag wat we historisch gezien wel en niet van Jezus weten. Daarvoor kun je helaas niet zomaar in het Nieuwe Testament terecht, als was het een rechtstreeks verslag van zijn optreden. Want de vier evangeliën zijn een tijd later geschreven, zo’n 40 tot 60 of 70 jaar na Pasen. En naast veel overeenkomsten zijn er ook grote onderlinge verschillen. Vergelijk Marcus maar eens met Johannes, die twee vertellen heel anders en heel andere dingen over Jezus.

Paul Verhoeven schreef zelfs een boek over Jezus. En een van de verhalen die zijn bijzondere aandacht trekken, is de gelijkenis van vandaag. Over de werkers van het elfde uur. Een prikkelend verhaal dat niet alleen vragen maar zelfs protest kan oproepen. Want als deze landheer zo royaal en goed is, waarom geeft hij de mensen die de hele dag in de brandende zon hebben staan ploeteren dan niet iets extra’s? Nu krijgen ze hetzelfde loon als degenen die slechts een uurtje hebben gewerkt, één denarie. En waarom draait hij de volgorde niet om? Waarom begint deze landheer bij de uitbetaling niet met de vroege werkers, die van het allereerste uur? Dan kunnen zij gewoon tevreden naar huis met het afgesproken loon: één denarie, daar kun je een dag van leven. Maar nu maken ze mee dat de allerlaatste werkers ook één denarie ontvangen. Want met hen begint de landheer zijn uitbetaling. Kijk, nu zij zien dat iedereen hetzelfde krijgt, nu is hun teleurstelling goed te begrijpen. Is dat wel eerlijk? Ja, deze landheer lijkt hier een demonstratie van gulheid te geven om iedereen een lesje te leren. Is dat nu nodig, kun je je afvragen? Het heeft bijna iets pesterig, las ik ooit in een commentaar bij deze tekst. Hij had toch ook in stilte, zonder dat anderen er getuige van waren, die laatste arbeiders het volle pond kunnen geven?

Nu dan, Paul Verhoeven vermoedt dat de gelijkenis inderdaad ooit, toen Jezus die vertelde, een andere volgorde had. Want, schrijft hij ‒ en daar proef je iets van de filmregisseur in hem ‒ een rasverteller als Jezus zou nooit van te voren de clou van zijn verhaal weggeven. Dat gebeurt nu wel. Als de eigenaar telkens één denarie geeft, aan de werkers van het elfde uur en vervolgens ook aan die van het negende, zesde en derde uur, dan weet je al wat de eersten zullen krijgen. Dan is de spanning al weg: iedereen krijgt gewoon hetzelfde dagloon. Maar als je het omkeert, dan loopt de spanning en daarmee de verbazing op. De vroegste werkers, die de hele dag hun werk deden, krijgen inderdaad één denarie, zoals afgesproken. En wie wat later aansloten, krijgen dat tot hun eigen verbazing ook. Maar wat niemand verwacht: ook degenen die maar één uurtje hebben gewerkt, ontvangen tot ieders verbazing hetzelfde loon. Zo verrassend royaal als deze landheer, wil Jezus zeggen, zo is God in zijn goedheid en genade. Zo ongekend anders zijn Gods gedachten dan de onze. Daar ligt de kern van deze gelijkenis. God is niet iemand die mensen sart of voor schut zet, maar verrast ons juist met zijn verbazingwekkende goedheid en genade.


Ik voel wel iets voor de benadering van Verhoeven. Zijn suggestie dat Jezus het ooit in een andere volgorde vertelde, Dat kan heel goed. Want de eerste decennia na Pasen, zeg maar in de tijd tussen Jezus en Matteüs, werden de verhalen vooral mondeling overgeleverd. Voordat de evangelisten iets op papier gingen zetten, kan er al van alles gebeuren en verschuiven. Dat zie je terug, gaf ik al aan, in hun onderlinge verschillen. En ook daarna bleven teksten in beweging, als ze werden overgeschreven. Dat geldt trouwens ook, en dan maak ik een sprongetje, voor de uitleg van een tekst. Door de tijden heen leest en duidt men een verhaal telkens weer anders. Neem deze gelijkenis: over wie gaat het hier? Wie heeft Jezus op het oog, als Hij vertelt over deze werkers van het elfde uur? Ongetwijfeld denkt Hij dan aan mensen die volgens het evangelie tot de zondaars behoren, in het bijzonder de tollenaars en de publieke vrouwen. Jezus merkt dat juist zij gevoelig zijn voor zijn liefdevolle aandacht en zijn boodschap van Gods royale goedheid en genade. Velen gaan Jezus volgen en dat verheugt hem zeer. Ook deze laatkomers zijn welkom in de wijngaard, in het komende rijk van God. Dat is niet iets om boos over te worden, houdt Hij zijn omstanders voor, maar iets om je over te verbazen. Het toont de goedheid, de gulheid van God, en die mogen we dankbaar aanvaarden en omarmen.

Dertig jaar later, zo’n 30 jaar na Pasen, als zich her en der in het Midden Oosten nieuwe gemeenten vormen, leest men dit verhaal ongetwijfeld anders. Want toen gingen steeds meer niet-joden meedoen in de Jezus-beweging. Zij waren toen die werkers van het laatste uur die nog wel eens met scheve ogen werden aangekeken. Want waren dit nog maar kort geleden geen aanhangers van Romeinse en Griekse afgoden? Moeten joodse volgelingen van Jezus nu opeens met hen, die have heidenen, het brood en de wijn gaan delen? Zeker, kan iemand als Paulus benadrukken, in Christus zijn we allemaal één, in Christus delen ook zij ‒ die halve heidenen ‒ in de grensoverstijgende liefde van God. Wind je daar dus niet over op, maar aanvaard dat en omarm hen in dankbare verbazing. Dat werd de nieuwe duiding van deze gelijkenis. Ook deze nieuwelingen, deze laatbloeiers, horen bij God.

Als vanzelf roept dat de vraag op: hoe lezen en actualiseren wij dit verhaal in onze situatie? Ik denk aan het volgende. In een gemeente zie je vaak een binnenkring en een buitenring. De binnenkring is druk met allerlei kerkelijke taken en houdt de eredienst in stand, terwijl de buitenring op een veel lossere manier meeleeft. Die laatsten vallen af en toe op zondag binnen en zullen ook in de Kerstnacht nooit ontbreken. Soms doen ze mee aan een doordeweekse activiteit zien, maar ze worden niet echt actief. De eerste groep kan hen daarop aankijken ‒ is dat geen slap profiteergedrag? ‒ maar zo moet je helemaal niet denken. Niet iedereen is op dezelfde manier bezig met zijn geloof of leeft op dezelfde manier mee. In de wijngaard, of liever de herberg van de kerk, leerde ik ooit, heb je obers, stamgasten en passanten. En dan is het mooi als een passant meer en meer stamgast wordt, en een stamgast een aantal jaren gaat oberen. Want dan kan de ober even uitrusten en gewoon meegenieten aan de stamtafel. Met zo’n wisseling van de wacht blijft iedereen op de lange duur geïnspireerd.

Het wordt lastig als die herberg een tekort aan menskracht heeft. Met name de obers ervaren dat als teleurstellend. Toch is het juist dan belangrijk te blijven werken aan een positieve sfeer. Daarin bevestigen mensen bij elkaar wat goed is en blijven ze niet hangen in wat er misgaat. In een positieve sfeer kijken we dus vol waardering naar wie er allemaal meedoen, zonder af te geven op wie zich niet of minder laat zien. We blijven dus genieten van het goede, van elkaars aanwezigheid en inzet, en bouwen onverstoorbaar verder aan een levende gemeenschap. Zoiets staat mij voor ogen in deze tijd van secularisatie, de ontkerkelijking die niet snel maar wel gestaag doorzet. Laten we geen klagende maar een royale en gunnende gemeenschap vormen, waarin we elkaar niet oordelen maar liever het voordeel van de twijfel geven. En waarin we ook proberen iets van gulheid uit te stralen naar de passanten die af en toe aanwippen, zeg maar onze mensen van het elfde uur. Ze zijn dan wel geen dragende krachten maar laten op een of andere manier de gemeente ook niet in de steek. En wie weet, zit er wel en stamgast of zelfs een ober tussen.

Als gemeente zijn we een wijngaard met heel verschillende werkers. Ja, de een maakt heel wat meer uren dan de ander. Soms kan dat schuren, maar dat is negatieve energie waar niemand iets aan heeft. Laten we werken aan een positieve uitstraling, aan een liefdevolle, royale gemeenschap van mensen die de ander altijd weer het beste gunnen. Zoals Jezus ons meegeeft in die ongemakkelijke gelijkenis. Omdat Gods goedheid nooit op rantsoen is. Omdat Hij zelf zo’n gunnende God is die ons laat delen in zijn meer dan royale liefde. Dat is en blijft een verbazingwekkend boodschap. Amen


 
terug