Preek van zondag 8 juli 2018 Preek van zondag 8 juli 2018

Leven van vertrouwen
 
Een profeet krijgt vaak niet de waardering die hem toekomt. Met name onder zijn eigen mensen, zijn volksgenoten, wordt hij niet geëerd. Dat ervaart de profeet Ezechiël tijdens de ballingschap. Met zijn woorden van hoop, over een nieuw begin, blijkt hij een roepende in de woestijn. Men luistert niet, doet er niets mee, of reageert met achterdocht. Zoiets heeft ook Jezus ervaren bij zijn dorpsgenoten, in zijn vaderstad Nazareth. Niet alleen bij de mensen met wie Hij opgroeide, ook – lezen we elders ‒  in de kring van zijn familie en verwanten. Daar ervaart Jezus eenzelfde afwijzing als Ezechiël. Al leven ze in heel verschillende tijden, onder totaal andere omstandigheden. Want Ezechiël leeft 500 jaar eerder en zit ver weg in het buitenland, ergens in de buurt van Babel. Hij is één van de ballingen die is weggevoerd vanuit Jeruzalem.
 
Daar in Babel merkt hij dat mensen nauwelijks lering trekken uit het gebeuren. Ze verwaarlozen hun religieuze wortels en gaan meedoen in allerlei heidense gebruiken. En misschien nog wel erger: ze verliezen de hoop. Hun verlangen naar het beloofde land en naar de tempel in Jeruzalem lijkt dieper en dieper weg te zakken. Met zoveel slapheid, zoveel geestelijke luiheid kan Ezechiël niet leven. Hij waagt het zijn volk hierop aan te spreken, ook al moet het daar niets van hebben. Maar deze tegendraadse profeet weet zich door God zelf geroepen. Dat vertelt het verhaal waarmee dit bijbelboek opent. In een kleurrijk visioen is er een stem die hem aanspreekt, met deze woorden: ‘Mensenkind, sta op’. Opstaan is dus niet alleen iets voor ná dit leven, nee, dat begint al in dit leven. Blijf niet liggen in de malaise – mensenkind, sta op!
 
Mensenkind – dat kun je ook vertalen met ‘mensenzoon’ of gewoon met ‘mens’. ‘Ben adam´, staat er in het Hebreeuws: zoon, kind van Adam. Dat zijn we allemaal, maar in zo’n aanspraak zit meteen ook een uitdaging: je wordt aangesproken op je ware mens zijn. Want je bent al mens, vanaf je geboorte, maar je kunt het ook meer en meer worden. Zo’n waarachtig mens in wie God plezier krijgt, of zoals de bijbel mooi kan zeggen, waarin Hij een welbehagen heeft. Mens naar zijn beeld en gelijkenis. Zo’n waarachtig mens wil de stem van God tot leven brengen, zoals Ezechiël gaat doen. Hij wordt een van de grote profeten van zijn volk.
 
Dan is de stap naar Jezus niet groot. Want naast ‘profeet’ wordt Hij ook wel ‘mensenzoon’ genoemd. Ja, zelf lijkt Hij daar een voorkeur voor te hebben, boven titels als Messias, zoon van David of zoon van God. Sprekend over zichzelf gebruikt Jezus graag namen als ‘mensenzoon’ of  ‘zoon des mensen’. En net als bij Ezechiël heeft dat een profetische lading. Jezus als mensenzoon is eveneens een profeet die de stem van God vertolkt maar in eigen huis miskend wordt. Dat merkt Hij in de synagoge van Nazareth, waar men aanstoot aan hem neemt aan zijn onderricht. Waar men zijn wijsheid niet weet te waarderen. Daar deelt Jezus als zoon van Adam het lot van veel profeten voor hem.
 
Vanwaar die afwijzing? Dat is niet helemaal duidelijk. Struikelen zijn dorpsgenoten over zijn uitleg van de Thora of zijn boodschap van het koninkrijk van God. Is dat alles hen te groot, te veel, te overweldigend? Is het de achterdocht of jaloezie van mensen die hem nog goed kenden als kleine jongen en vroeger ‒ zeg maar – nog met hem geknikkerd hebben? Die hem toen misschien een vreemde vogel vonden of misschien wel een beetje saai of serieus, en nu opeens verbaasd staan van zijn wijsheid? Is het een soort oerconservatisme, dat we als Nederlanders ook al te goed kennen, zo van ‘doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’. En laat vooral je hoofd niet boven het maaiveld uitkomen! Waarschijnlijk gaat het om een samenspel van factoren, met ook allerlei onderbuikgevoelens. Hoe dan ook, het gevolg is een enorme anticlimax in zijn vaderstad. Want waar Jezus elders in Galilea groot enthousiasme oproept en talrijke tekenen doet, lukt hem dat in Nazareth bijna niet. Goed, Hij geneest nog wel een paar zieken met handoplegging. Maar verder stagneren zijn krachten, verbaasd als Hij is over hun ongeloof. Als mensen hem geen vertrouwen geven, kan ook Jezus maar weinig beginnen.
 
Een teleurstellend bezoek aan zijn vaderstad. Toch is dit op andere punten een uiterst interessant stukje Marcus. Want we horen hier allerlei bijzondere dingen over Jezus zelf en over het gezin waaruit Hij voortkomt. Dorpsgenoten herinneren elkaar aan zijn achtergrond: ‘Hij is toch de timmerman, de zoon van Maria en de broer van Jacobus, Joses, Judas en Simon; en wonen ook zijn zusters niet bij ons’? We komen iets op het spoor van de onbekende jaren van Jezus. Heel nuchter, low profile, wordt verteld dat Jezus het vak van timmerman heeft uitgeoefend. Verder blijkt Hij een heel stel broers en zusters te hebben. Maria kreeg na hem nog minstens 4 jongens en 2 meisjes. En ook opvallend in dit verband is de afwezigheid van Jozef: zijn naam wordt in dit fragment niet genoemd.
 
Stuk voor stuk zijn dat interessante gegevens om even bij stil te staan. Bijvoorbeeld dat beroep van Jezus. Bij Matteüs wordt Hij ‘de zoon van de timmerman’ genoemd, maar Marcus vertelt dat Jezus zelf dit vak ook uitoefende. Dat kan betekenen dat Hij houtbewerker of bouwvakker was, en dus tot de arbeidersklasse behoorde. Het kan ook duiden op een kleine aannemer, met een eigen werkplaats, die tot de middenstand behoorde. Dan bouwde de jonge Jezus mee aan de huizen in het dorp of aan de projecten in de omgeving. Want in die tijd lieten de Romeinen in Galilea grote steden verrijzen of renoveren: Tiberias, Sepphoris. Hoe dan ook, timmerman blijkt een eerzaam beroep. Want in de rabbijnse literatuur gaat zo’n vakman door voor iemand die goed is onderlegd in Schrift en traditie. Verder kwam ik tegen dat ze een poëtische inslag zouden hebben. Op het ritme van hun hamers vormden zich hun leef- en dichtregels.
 
Maar hoe zit dat met Jozef? Heeft hij het gezin verlaten of – zo wordt vaak vermoed – is hij overleden en heeft Jezus als oudste van de kinderen de zaak overgenomen? Totdat Hij daarmee stopt, want op een gegeven moment heeft Hij zijn familie verlaten en Nazareth de rug toegekeerd. Want Jezus sluit zich aan bij Johannes, de profeet door wie Hij zich laat dopen, en gaat niet veel later zijn eigen weg. Daar laat zich een breuk in zijn leven vermoeden – het vertrek uit Nazareth ‒ en misschien zit daar ook iets van die achterdocht in zijn dorp en de pijn in zijn familie. Hij liet ze ongetwijfeld ontdaan of verbouwereerd achter. Want wie nam zijn taak over, wie zorgde nu voor brood op de plank? Dat wordt dikwijls onderschat bij een roepingverhaal in het evangelie. Alles achter je laten, dat gaf een hele schok, daar was je omgeving niet echt blij mee. Al had Jezus wel meerdere broers die misschien al meewerkten en het stokje konden overnemen. Maar enthousiast zijn ze vast niet geweest: elders vertelt het evangelie dat zijn familie op een goede dag naar Jezus toekwam in een poging hem weer naar huis te halen. Ook dat vertrek heeft dus de nodige wrijving gegeven.
 
Zo vertelt Marcus een vrij nuchter verhaal over Nazareth. Maar het meest ontnuchterend is toch wel, dat Jezus in zijn vaderstad nauwelijks zijn kracht kan tonen. Een paar genezingen gaat nog net, maar meer lukt niet. Dat staat in schril contrast met andere verhalen van Marcus, waar juist grootse dingen gebeuren. Eerder, in Marcus 4, bedwingt Jezus de machten van de natuur, als Hij de storm op het meer tot bedaren brengt. Of Hij geneest in Marcus 5 een bezeten man van een hele leger aan demonen. Ook zou Hij een meisje, het dochtertje van Jaïrus, hebben teruggehaald uit de dood. Drie sterk symbolische tekenen die ons een nieuwe wereld beloven. Er zou een toekomst aanbreken zonder ziekte en dood, ook zonder natuurgeweld. Maar dat visioen van het koninkrijk van God krijgt in Nazareth geen poot aan de grond. Daar stuit Jezus op achterdocht en cynisme, de twee grote vijanden van dit geloof. Daar proeft Hij het grote wantrouwen dat vaak in mensen schuilgaat. Gedachten als: ‘het wordt nooit iets met deze wereld en evenmin met de mensheid. Dus pak voor jezelf wat er te halen valt, en maak je niet druk om een ander’. Eigenlijk is dat een self fulfilling prophecy. Want als mensen inderdaad zo leven, verandert er nooit wat. Dan gebeurt wat Ezechiël om zich hen zag in de ballingschap. De Geest dooft uit, de hoop verdwijnt, de liefde ebt weg. Waar dat gebeurt, kan ook Jezus weinig beginnen.
 
Omgekeerd geeft dit aan waar we de kracht van Jezus’ wonderen moeten zoeken. Er kunnen grote dingen gebeuren, laat het evangelie doorschemeren, daar waar onder mensen vertrouwen groeit en alle positieve krachten samenkomen. Waar ze met elkaar een visioen koesteren en de hoop levend houden, en waar ze zich oprecht voor elkaar inzetten, met hun talenten en liefdevolle aandacht. Zonder dat vertrouwen, vertelt Marcus, kon Jezus geen grote dingen doen, ook al ontving Hij bijzondere kracht van godswege. Zoiets zie je ook rond een ziekbed gebeuren, als mensen bereid zijn het beste van zichzelf in te brengen. Als er goede medische begeleiding is van artsen en verpleging, als er goede geestelijke aandacht is voor wat er omgaat in een mens, als er vertrouwen groeit in een zieke zelf en ook in zijn of haar omgeving. Dat biedt geen garantie op herstel, maar kan daar wel aan bijdragen. Een heilzame omgeving heeft vaak helende kracht: mensen vatten moed en leven op. Of zij die weten dat ze gaan sterven, zien hun dood zonder angst tegemoet en nemen in vertrouwen afscheid. Dat zijn dan niet de grote wonderen zoals je ze in de Bijbel tegenkomt. Maar het zijn wel de mooie kleine wonderen waarin iets doorschemert van Gods heilzame nabijheid. Ze tonen een vertrouwen dat Jezus graag in ons ziet groeien.
 
Zelf ‒ en daar sluit ik mee af ‒ heb ik weinig met gebedsgenezing. Vaak proef ik daarin iets dwingends en dogmatisch. Zo van: als je echt met volle overgave bidt, dan moet God je wel verhoren. Daarin schuilt ook een gevaarlijke omkering: gebeurt er niets, dan was je zelf te zondig, je geloof te klein of je gebed te gebrekkig. Nee, die kant moeten we niet op in de kerk. Toch vind ik het wel zinvol om als gemeente biddend om iemand heen te staan. Zonder meteen grote resultaten te verwachten. Maar in die verbondenheid en dat samen op God gericht zijn, kan een zieke zich gedragen weten, troost ervaren en nieuwe moed vatten. Er kan iets van de innerlijke pijn genezen, alle verwarrende gedachten waar iemand mee worstelt, en die geestelijke ontspanning kan een zieke ook lichamelijk goed doen. En waarom mag je niet, ook als de kans klein is, op een wondertje hopen? Niet omdat God de ene keer wel en de andere keer niet ingrijpt. Dat is los zand theologie. Maar omdat er nog altijd bijzondere dingen gebeuren, zeker waar mensen leven uit vertrouwen en ook uit gebed. Waar ze met elkaar blijven geloven, hopen en liefhebben ‒ soms tegen de klippen op.
 
Als gemeente kunnen we alle positieve krachten aanspreken die er zijn: het herstellend vermogen van ons lichaam, de veerkracht en vechtlust van onze geest, de deskundige hulp van artsen en therapeuten, de warme steun van je omgeving. In dit alles kan ook God zijn heilzame werk doen, met de helende kracht van zijn Geest. De Geest die vrijuit wil waaien, maar ook op muren stuit, zoals Jezus dat heeft ervaren in Nazareth. De Geest waarvan we belijden dat zij nieuwe wegen opent, niet alleen in deze wereld maar ook in ons eigen leven. Wie daarvoor open staat, hoeft z’n nuchterheid niet te verliezen. Maar je kunt tegelijk openstaan voor de kleine en soms grote wonderen die er gebeuren. Die mag je begroeten als tekenen van een nieuwe wereld, ja, als beloften van het komende koninkrijk van God. Amen
 

 

terug