Preek van zondag 30 september 2018 Preek van zondag 30 september 2018

Pastoraat bij Marcus
 
Soms zijn het kleine dingen, tussen neus en lippen door verteld, die in de Bijbel iets verrassends laten zien. Neem ons fragment van vanmorgen. Daarin horen we dat Jezus niet de enige is die mensen geneest door demonen uit te drijven. Anderen blijken dat ook te kunnen. Ja, dat gebeurt door mensen die zich wel op Jezus beroepen maar hem niet volgen. Johannes vindt dat niet leuk en beklaagt zich daarover, maar Jezus heeft er geen problemen mee. ‘Wie niet tegen ons is, is vóór ons’, luidt zijn nuchtere reactie. De heilzame kracht waar Hij uit put is ook voor anderen beschikbaar. Die zit niet exclusief in hem. Dat laat zien hoe men in die tijd naar wonderen keek. Die waren minder uitzonderlijk dan wij vaak denken. Ook in het Oude Testament, met name rond de profeet Elisa, kom je ze al volop tegen.
 
Nee, het unieke van Jezus zit niet in zijn wonderdaden. Veeleer zit dat in de bijzondere wijze waarop Hij mens is, verbonden met God en met zijn naasten. En het zit in de wijsheid en geestkracht die bij hem zoveel groter zijn dan bij anderen. Maar het is nooit zwart wit, alles of niets. Ook anderen kunnen bepaalde wonderen doen, ook anderen mogen volgens het evangelie delen in die wijsheid en geestkracht waar Jezus zo vol van was. Dat geldt dus ook voor nu. Al zullen wij ziekte in deze tijd heel anders benaderen dan toen. Dat is voor ons geen kwestie van demonen uitdrijven maar van goede medische en geestelijke zorg. Goede ziekenhuizen en goede psychiatrie zijn onmisbaar. Al hoorde ik Orlando Bottenbley, de bekende voorganger van de megakerk in Drachten, onlangs nog beweren dat het hem wel dikwijls was gelukt. Hij had naar eigen zeggen maar liefst 21 demonen uitgedreven. Dat vertelde hij zonder blikken of blozen aan Coen Verbraak, de interviewer die onlangs weer op TV was met de serie ‘Kijken in de ziel’. Meer dan twintig uitdrijvingen. Zelf had ik graag gezien hoe het deze genezen patiënten een maand later verging.
 
Hopelijk verwacht u het niet van mij, demonen uitdrijven, en vraagt u het ook niet van onze nieuwe pastorale ouderlingen en medewerkers. Toch is het wel iets dat zich laat actualiseren. Want in het pastoraat kun je allerlei moderne demonen tegen komen. Dan worstelen mensen met iets uit hun verleden dat keer op keer weer opduikt in hun leven. Ooit zijn ze bijvoorbeeld vernederd of bedrogen. Of ooit zijn ze zelf lelijk de mist ingegaan, een misstap die blijft knagen. Ook kunnen het dingen zijn die in het heden spelen. Slepende conflicten op het werk of in de relationele sfeer, problemen met kinderen of in de familie die je opslokken en leegzuigen. Zulke dingen kunnen uitgroeien tot demonen die zich nestelen in je hoofd of maag. En dan kan het geweldig opluchten daar eens met een buitenstaander over te praten. Zeker als die ander een pastorale instelling heeft en er niet met anderen over mag praten. Dat is een van de bijzondere kanten en kansen van pastoraal werk. Zonder grenzen te overschrijden, mag je soms heel dicht bij een ander komen. En dan kan het zomaar gebeuren dat in zo’n vertrouwelijk sfeer de demonen misschien niet zomaar verdwijnen maar zich wel langzaam maar zeker beginnen op te lossen. Open ontmoetingen, goede gesprekken, waarin mensen van hart tot hart met elkaar spreken en samen zoeken naar opheldering, zijn vaak uiterst heilzaam.
 
Dat om te beginnen. Maar onze lezing heeft nog meer te bieden op pastoraal gebied. Dan kom ik terug op die nuchtere uitspraak van Jezus: ‘wie niet tegen ons is, is voor ons’. Ooit noemde Eugen Drewermann, de Duitse priester die bekend staat om zijn kritiek op de katholieke kerk, dit een grenzeloos open woord van Jezus. Het is een woord dat ruimte biedt en mensen niet in hokjes stopt. Op die manier hekelt Drewermann de kerkelijke neiging om mensen steeds weer de maat te nemen. Zijn ze wel gelovig genoeg, nemen ze wel deel aan de diensten of sacramenten? Ook onze protestantse wereld kan daar last van hebben. Die hoeven we niet te vragen voor een taak, hoor je dan, want die zie je nooit op zondag. Vreemd, want je zou ook kunnen denken: wie op zondag vrij neemt, heeft doordeweeks meer tijd voor de kerk. Vaak zijn we het al weer – nivea! – aan het invullen voor een ander. Terwijl dit woord uit Marcus ons juist bescheiden kan maken. Jezus is niet van zijn discipelen, Jezus is niet zomaar van ons, de binnenkring van min of meer trouwe kerkgangers. Her en der, zowel binnen als buiten de kerk, zijn er mensen die leven in zijn geest en dezelfde dingen doen die hem voor ogen staan.
 
Zoiets mag ons ook voor ogen staan als het om kinderen gaat die niet meer geloven of anders wel kerkelijk zijn afgehaakt. Daarover gaat het regelmatig in het pastoraat, want terecht kunnen ouders dat spijtig vinden en er verdriet om hebben. Het is goed dat in de kerk met elkaar te delen, maar zonder daarbij deze woorden van Jezus uit het oog te verliezen. Want die kinderen zijn niet zomaar tegen hem of ons. Vaak zijn het hele lieve, toegewijde mensen die zelden afgeven op kerk en geloof. Maar op een of andere manier spreekt ons verhaal hen niet aan of past de kerk niet meer in hun systeem of overvolle agenda. Helaas! Echt pijnlijk zijn de situaties waarin iemand fel afgeeft op zijn of haar christelijke jeugd en met grote stelligheid beweert dat het allemaal onzin is. Naast dogmatische gelovigen heb je tegenwoordig ook heel wat dogmatische atheïsten. Toch zijn ook dat lang niet altijd vervelende mensen. Ze kunnen zich geweldig inzetten voor de ander of voor de schepping, op een manier waar menig christen een voorbeeld aan kan nemen. Ook mensen die zich tegen Jezus afzetten, kunnen dus best een beetje voor hem zijn.
 
Zo kom ik bij een derde pastorale richtlijn voor vandaag. Die vinden we aan het slot van ons fragment uit Marcus 9. Iedereen moet met vuur gezouten worden, stelt Jezus zijn volgelingen daar voor ogen . Om daar nog aan toe te voegen: zorg ervoor dat jullie het zout in jezelf niet verliezen. Dat lijkt me een mooie oproep voor mensen in het pastoraat om hun eigen inspiratie in de gaten te houden en waar nodig opnieuw te voeden. Zodat het vuur niet dooft en het zout zijn kracht niet verliest. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren als bezoekwerk een sleur wordt, als je wel bij mensen langs gaat maar eigenlijk geen zin of tijd hebt om echt te luisteren en zich voor hen te interesseren. Of andersom gebeurt dat als gemeenteleden niet laten blijken dat ze pastorale aandacht vanuit de kerk waarderen, of als ze niet meer willen te delen dan hun laatste aankopen of vakantiefoto’s. Maak er dus echt een goede ontmoeting van waarin we elkaar over en weer te voeden met vuur en zout.
 
Die twee woorden, vuur en zout, onderstrepen hoe belangrijk het is elkaar te inspireren en te motiveren. Zodat in de gemeente alle vrijwilligers zich gedragen weten en het gevoel krijgen zinvol bezig te zijn. Het mooiste is als er een goede balans ontstaat tussen wat mensen geven en terug ontvangen. Dan houd je het vol en kun je volop genieten van de dingen die we samen doen en beleven. Dan zijn we zo’n gemeente van vuur en zout, waar de geest van Jezus doorheen waait. Hij die zijn volgelingen verrast met dat grenzeloos open woord: ‘wie niet tegen ons is, is voor ons’. Zo daagt Hij ons vandaag uit een grenzeloos open gemeente te zijn waar iedereen gezien en gewaardeerd wordt. Een gemeente waarin het zout van het evangelie ons blijft inspireren. Een gemeente waarin het vuur van de Geest en de liefde niet uitdooft. Amen
 

terug