Preek van zondag 1 mei 2022 Preek van zondag 1 mei 2022
Vertellen met getallen: 153 vissen
 
In de Bijbel staan twee verhalen over een wonderbare visvangst. Het eerste staat in het begin van Lucas, het tweede aan het slot van Johannes. In Lucas 5, aan het begin van zijn optreden, trekt Jezus rond in Galilea en gaan drie vissers hem volgen. Net daarvoor hebben ze op aanwijzing van Jezus een enorme hoeveelheid vis gevangen. De netten dreigen te scheuren, hun boot dreigt te zinken onder het gewicht. De drie, Petrus, Jacobus en Johannes, zijn zo onder de indruk dat ze even later alles achter zich laten en Jezus gaan volgen. Hij belooft hen vissers van mensen te maken, dat wil zeggen dat ze mensen bijeen gaan brengen om hen te laten delen in het goede nieuws dat Jezus brengt. Ze gaan samen een school vormen, de leerschool van het koninkrijk.

Aan het slot van Johannes, in hoofdstuk 21, bevindt Petrus zich opnieuw met enkele vrienden aan de oever van het meer van Galilea, in het noorden van het land. Wat ze daar doen, net na Pasen, is niet helemaal duidelijk. Want even daarvoor was Petrus in Jeruzalem nog getuige van de opstanding, van de verschijningen van de levende Heer. En je zou verwachten dat hij daar met de andere leerlingen in elk geval tot Pinksteren zou blijven. Want dan ontvangen ze, nog steeds in Jeruzalem, de heilige Geest om vervolgens de wereld in te trekken, aldus het boek Handelingen. Maar zoiets lezen we niet bij Johannes. Volgens hem gaan de leerlingen terug naar Galilea en komt Petrus op het idee te gaan vissen. En dan volgt een verhaal over een wonderbare visvangst dat veel lijkt op dat van Lucas. Met dus één groot verschil: wat bij Lucas de eerste ontmoeting van Jezus met zijn leerlingen is, is bij Johannes hun laatste ontmoeting. Bij Johannes speelt zich dit af in de tijd na Pasen. Maar wel zijn er dezelfde herkenbare elementen: Jezus geeft aan waar ze hun netten moeten uitwerpen. En ook al zitten die boordevol vis, de netten scheuren niet uit elkaar. Zoals de volgelingen van Jezus één kudde met één herder moeten vormen, zo vormen ze hier één net vol vissen.

Opvallend bij dit alles is dat Johannes het precieze aantal vissen noemt, dat zijn er maar liefst 153. Je vraagt je af wat dat te betekenen heeft: 153 vissen. Hebben de discipelen echt staan tellen, toen ze hun boot op het strand trokken, en heeft een van hen dat aantal toen bewust vastgelegd voor het nageslacht? Of is het een willekeurig getal, dat niet veel anders betekent dan ‘een heleboel’, zoals kinderen kunnen zeggen dat iets wel honderdduizendmiljoen was? Menigeen bijt er z’n tanden op stuk, zo blijkt als je er het commentaar van deskundigen op naslaat. Het blijft zeg maar een graatje in hun keel, niemand die er echt mee uit de voeten kan. Toch meende ik er ooit iets over gelezen te hebben, en warempel, dat vond ik weer terug. Want wat blijkt, en nu begint de hogere wiskunde: 153 is het driehoeksgetal van 17. Dat wil zeggen: als je alle getallen van 1 tot en met 17 bij elkaar optelt, dus 1+2+3 tot en met 17, dan kom je uit op 153. En dat is geen toeval. Want 17 is een getal vol diepere betekenis. In de Bijbel duidt zowel 17 als 26 op de godsnaam, de vierletternaam JHWH. Die 4 letters hebben elk hun getalswaarde (zo vindt u terug in de liturgie). En als je die letterwaarden bij elkaar optelt, kom je uit op 17 of 26. Er is een ‘grote telling’, waarbij de J voor 10 staat, dan kom je met 1 zes en 2 vijven op 26 uit. En er is een ‘kleine telling’, waarbij de J geteld wordt als 1 plus 0. Dan hoort bij de godsnaam het getal 17. En zoals we al zagen: het driehoeksgetal van 17 is 153, ons aantal vissen. Dat speelt hier een rol. In de Bijbel wordt graag met deze getallen gespeeld, bijvoorbeeld ook in de poëtische compositie van een psalm. Spelend met allerlei getallen wordt de naam van God als het ware door de tekst heen geweven.

Er zijn meerdere voorbeelden, maar ik noem er slechts één. Psalm 25 is vooral bekend in zijn berijming: ‘Heer, maak mij uw wegen door uw Woord en Geest bekend’. In de tijd voor Pasen kwam dit lied meerdere keren voorbij. In de Hebreeuws bijbel, en ook in onze vertaling, kent deze psalm 22 verzen, en elk vers begint met een volgende letter van het alfabet. Voor de taalliefhebbers: een acrostichon. Elke letter , in het Hebreeuws zijn dat er 22, komt één keer aan bod. Verder wordt in deze psalm precies tien keer de naam van God genoemd, en dat is het getal van de volheid. Denk alleen maar even aan de Tien woorden of geboden. Ook heel bijzonder is het aantal woorden van deze psalm: in het Hebreeuws zijn dat er op de kop af 153, weer dat driehoeksgetal van 17. Dat alles is geen toeval. In zijn vormgeving is deze psalm een strakke compositie. De dichter speelt en schrijft hier met getallen, zoals we dat ook kennen van een componist als Bach. Van de grote Bach is bekend dat hij in zijn muziek bepaalde getalstructuren verwerkt.Zo is Psalm 25 een taalcompositie, een tempel van woorden waarmee de dichter de Eeuwige toezingt en eer brengt.

Nu we toch aan het rekenen zijn: dat getal 17 kom je ook op een andere manier in de Bijbel tegen. Zo kan menigeen zich verwonderen over de leeftijden van de oudtestamentische aartsvaders. Want die zijn, met 150 of meer jaren, een stuk hoger dan de gemiddelde leeftijd van nu. Sommigen kunnen daar hele theorieën op loslaten, die er vaak op neerkomen dat het vroeger allemaal veel beter en gezonder was dan nu – maar daar zou ik niet intrappen. Goed, het zijn leeftijden die we misschien ooit bereiken als we het menselijk dna manipuleren en op die manier veroudering kunnen vertragen, maar ze liggen voorlopig nog buiten ons bereik en ook vroeger werden ze niet gehaald. Nee, er speelt iets heel anders, ook hier wordt weer gespeeld met getallen. Neem de grote drie: volgens Genesis werd Abraham 175 jaar, Isaak 180, en Jacob ‘slechts’ 147. In de liturgie heb ik aangegeven hoe die getallen zijn opgebouwd en welke patronen daarin zichtbaar worden. Het gaat telkens om de cijfers 3,5,6 en 7 die je bij elkaar kunt optellen en ook met elkaar kunt vermenigvuldigen. Hier wordt het dus even hoofdrekenen of tijd voor de zakcalculator:

Neem Abraham, als hij 175 jaar oud wordt is dat het product van 5 maal 5 maal 7. En tel je die getallen bij elkaar op, 5 plus 5 plus 7, dan kom je uit op 17.
Over Isaak lezen we dat hij 180 wordt, dat is 5 maal 6 maal 6. En tel je die getallen bij elkaar op, 5 plus 6 plus 6, dan is dat ook weer 17.
Bij Jacob kunt u het al voorspellen. Hij wordt 147 jaar oud, dat is 3 maal 7 maal 7. En bij elkaar op geteld is 3 plus 7 plus 7 opnieuw 17.
Steeds dat getal van de godsnaam. Dat is geen toeval, nee, dat is bijbelse compositie, dat is vertellen met getallen. Naast de expliciete verhalen over hun leven wordt hier ook op meer verhulde wijze iets moois verteld. Deze drie aartsvaders zijn mensen die hun leven hebben afgestemd op God, die zijn stem gehoord hebben en het geheim van zijn naam in hun hart droegen. In hun leeftijd is daarom de vierletternaam  JHWH verwerkt, de naam die zich niet laat uitspreken maar die wel telkens doorschemert in het getal 17.

Hoe zit dat met ons verhaal in Johannes 21, met die 153 vissen? Je kunt zeggen: dat getal wijst erop dat aan het einde van het evangelie de goddelijke volheid bereikt is. Jezus heeft de naam van God in volle glorie uitgedragen, zowel in zijn woorden als in zijn daden. En nu, na Pasen, is het aan de discipelen om de oogst, de opbrengt binnen te halen. Heeft Jezus hen niet ‘vissers van mensen’ genoemd? Hun taak is het om al Gods kinderen bijeen te brengen, al die vissen. Ook dat schemert weer door in die 153. Want dat is niet alleen het driehoeksgetal van de godsnaam, maar blijkt ook de getalswaarde van ‘Gods kinderen’. Als je dat in het Hebreeuws uitschrijft ‒ de kinderen van de Heer, bene ha elohiem ‒ kom je opnieuw uit op een letterwaarde van 153. Breng ze bijeen, klinkt door in dit verhaal. Haal ze op het droge in een vaak stormachtige wereld. Neem ze op in de leerschool van het koninkrijk en laat ze delen in de liefdevolle nabijheid van de Eeuwige.

En… laat het net niet scheuren. Ook dat klinkt door in dit verhaal. Dat heeft ongetwijfeld te maken met de spanningen waar de kerk al vroeg mee te maken kreeg. Ook de gemeenschap van Johannes. Die kende eerst, zo proef je tussen de regels door, een stevige aanvaring met de naburige synagoge. Dit vierde evangelie kent een felle anti-joodse retoriek. En in een later stadium, weten we met name uit de brieven van Johannes, was er onderling ook heftige verdeeldheid. Dat het net niet scheurt, is dan een aanmoediging om de eenheid te bewaren, ook in roerige tijden. Om onderlinge verdeeldheid te overwinnen en samen één kring te vormen. De ene kring rond Jezus waarin Hij het brood en de wijn met ons deelt. Of in dit geval, op het strand van het meer: de kring waarin brood en vis rondgaan als dagelijks voedsel dat samen wordt gedeeld.

Ook in deze tijd is de kerkelijke eenheid ver te zoeken. De kerk is vaak diep verdeeld, en niet zonder reden. Want wat moet je met een Russisch-orthodoxe kerk die niet een weg van vrede en verzoening leert maar oorlog en geweld vergoelijkt? Of wat moet je dichter bij huis met een Christelijk Gereformeerde synode die opnieuw weigert vrouwen toe te laten tot het ambt? Verdeeldheid is onvermijdelijk in een kerk waar mensen met een beroep op het evangelie tot onbegrijpelijke keuzen komen. Toch kunnen we ons daar niet bij neerleggen. Want altijd weer is daar het appèl van Jezus die ons uitnodigt de gemeenschap met hem en elkaar te zoeken. Die begint te delen van het brood, de wijn en de vis. Hij laat ons geloven in een liefde die alles overwint. Liefde die zoekt naar verbondenheid in onze verdeeldheid, liefde die zoekt naar eenheid in onze verscheidenheid. Want dat blijft het visioen van de Bijbel: één kudde, één herder, één school vissen. De volheid van153 – zonder dat de netten scheuren. Amen


Literatuur over bijbelse getallen:
Bart Gijsbertsen, Een heidense uitdaging. Leven met de God van Israël, Heerenveen 2015
C.J. Labuschagne, Vertellen met getallen. Functie en symboliek van getallen in de bijbelse
                               oudheid, Zoetermeer 1992

 
terug