Preek van zondag 15 november 2020 Preek van zondag 15 november 2020
Het laatste oordeel

Op genuanceerde wijze je oordeel over iets of iemand geven, dat is niet zo eenvoudig. Dat geldt ook voor de kerk, zo bleek afgelopen weken weer eens. De leiding van de PKN meende te moeten oordelen over de rol van kerken (m.n. de hervormde en gereformeerde) rond de Tweede Wereldoorlog. Waren die niet ernstig tekort geschoten naar de Joodse gemeenschap? In een schuldbelijdenis werd gesteld dat het de kerkelijke instanties destijds ‘veelal aan moed heeft ontbroken’. ‘Veelal…’ ‒ daar was zacht gezegd niet iedereen gelukkig mee. Er kwamen zelfs woedende reactie, van mensen die dichtbij het vuur hadden gezeten. Want het beeld klopt niet, het ligt allemaal veel genuanceerder. Zo was er een interview met een historicus die aan de verklaring had meegewerkt. Eerst sprak ook hij van een gebrek aan kerkelijke moed. Maar even later gaf hij aan dat kerken destijds juist veel méér deden dan anderen. Ze spraken veel duidelijker en namen grotere risico’s dan bijvoorbeeld het koningshuis en de regering in Londen.
Dat laatste beeld bevestigen twee hoogleraren afgelopen vrijdag met een ingezonden stuk in dagblad Trouw. De landelijke kerken hadden juist wel in het openbaar geprotesteerd en hun nek uitgestoken. Veel meer dan anderen. En wat al in brede kring bekend was: ook plaatselijk deden heel wat kerken en gelovigen in het geheim hun best om Joden te helpen. Zo boden Gereformeerden, die toen 8% van de bevolking vormden, onderdak aan 25% van de Joodse onderduikers. En als op een zondag werd gecollecteerd voor een of ander vaag diaconaal doel, dan wist iedereen waar dat geld heenging. Zo blijkt dat recente oordeel over de kerk van toen niet te kloppen. Het had allemaal echt veel zorgvuldiger gemoeten. Alsof men onderschat heeft hoe lastig het is zuiver over het verleden te oordelen.

Dat geldt minder voor vandaag, nu we afscheid nemen van Rik. Dat verleden is nog vers. Hij liep de afgelopen 14 maanden stage in onze gemeente, en dat moet binnenkort gewogen worden. Ook een oordeel, gelukkig geen laatste oordeel. Zelf zal ik er niet moeilijk over doen: Rik heeft het ronduit goed gedaan, en als hij zo doorgaat op deze weg, zal hij een grote aanwinst blijken voor de kerk. Hij heeft hart voor mensen in hun zoektocht naar God en geloof. Hij is theologisch goed bij de tijd en houdt kerkelijke ontwikkelingen scherp in de gaten. Hij is ondernemend ‒ dat zit ook in zijn huidige werk ‒ en communiceert helder en makkelijk. En bij dat alles toont hij zich ‒ wat je noemt ‒ proactief. Voordat ik me kon afvragen waar we ongeveer zaten in het stagetraject, was er vaak alweer een mail met een strak overzicht: die en die activiteiten zijn nu afgerond, en de volgende dingen vragen binnenkort om aandacht. Heel prettig! Zo kan ik nog wel even doorgaan, maar ik moet nog wat overlaten voor onze voorzitter. Want zij zal Rik straks ook nog even toespreken. Hier laat ik het daarom bij de wens dat Rik en Wanda met hun gezin een mooie, actieve gemeente vinden waar ze goed tot hun recht kunnen komen. Zelf heb ik daar alle vertrouwen in.

Maar nu die tekst van vandaag, Matteüs 25? Wat kunnen we met dat laatste oordeel, die mooie maar ook lastige gelijkenis van Jezus? Dat er zo’n oordeel over ons leven komt, gaf ik al aan in de in leiding op de lezing, is geen rare gedachte. Anders zouden de beulen in deze wereld het laatste woord krijgen. Op die manier is het dus geen voorstelling die angst inboezemt maar juist hoop en troost biedt. Er zal recht geschieden ‒ hoe dan ook. Maar de oude voorstelling van een soort rechtbank, of ‒ zoals ze vroeger zeiden ‒ ‘een vierschaar Gods’, dat zal weinigen vandaag de dag aanspreken.
Waar ik wel eens aan moet denken, is de ervaring die mensen meemaken als ze in doodsnood hebben verkeerd. Dan hoor je, bijvoorbeeld van iemand die bijna verdronk, dat hij in een flits ‘de film van zijn leven’ aan zich voorbij zag trekken. Zou zoiets ooit in de nabijheid van God kunnen gebeuren? Dat die film van je leven voorbij trekt, en dat die bijvoorbeeld inzoomt op de momenten waarop je op pijnlijke wijze als mens de mist in ging. En net zo goed ook op de momenten dat je juist wel liet zien wat God van ons vraagt, momenten waarop je echt evenbeeld van hem was, zoals Jezus dat is.
Het laatste oordeel als zo’n terugblik, misschien wel een spiegel waarin je jezelf onder ogen moet komen: wat was er wel en niet goed aan mijn leven, waar was ik de weg kwijt of vloog ik uit de bocht, en waar was ik juist wel goed en zinvol bezig en lag ik mooi op koers? Dat terugkijken en spiegelen, krijg je mee uit de Bijbel, is dan geen eenzaam gebeuren waarin je volledig wordt teruggeworpen op jezelf. Je staat er niet alleen voor, want er is die goddelijke nabijheid die weet van genade en aanvaarding. Je kunt zeggen ‒ het klinkt misschien wat vroom ‒ dat een liefdevolle Jezus naast je staat, met een hand op je schouder. Op die manier kun je dan met vertrouwen in de spiegel van je leven kijken.
Trouwens, zoiets past ook bij het alledaagse oordelen en beoordelen van elkaar, bijvoorbeeld in het kader van die stage van Rik. Daarmee help je de ander om in de spiegel te kijken en daar z’n voordeel mee te doen. Boven alles is zelfreflectie een uiterst leerzaam gebeuren.

Er is één ding in de gelijkenis waar ik ook nog even bij wil stilstaan. Is het u opgevallen dat er niet twee, maar drie groepen een rol spelen in dit verhaal? Er zijn niet alleen de schapen en bokken die van elkaar gescheiden worden. Er blijkt nog een derde groep te zijn, waar Jezus middenin staat. Hij kan ze als het ware aanraken en noemt ze ‘mijn geringste broeders en zusters’. Met hen is Hij één, heeft Hij zich volledig vereenzelvigd. Wat je aan deze onaanzienlijken doet, aldus Jezus, dat doe je aan mij. Die laatsten behoren niet tot de schapen of bokken, maar vormen de norm waaraan anderen worden geoordeeld. Zag je hen staan, nam je het voor hen op? Of keek je op hen neer en ging je achteloos aan hen voorbij? Als dat zo was, dan heb je Jezus zelf in de kou laten staan.
Er zijn in deze gelijkenis mensen voor wie geen oordeel geldt. Ze zijn bij voorbaat één met Jezus. Ik denk aan kinderen die vroeg gestorven zijn, voor ze echt aan leven toekwamen. Aan mensen met een ziekte of handicap, waardoor ze een leven lang moesten vechten om het hoofd boven water te houden. Aan mensen ook die hun hele leven arm waren, honger leden of als vluchteling nergens welkom waren. Of mensen op wie overal wordt neergekeken, omdat ze niet zouden deugen of tot een minderwaardig ras of volk zouden behoren. En misschien zijn we zelf ook wel een van die geringen, voor korte of langere tijd. Lijdend aan een leven dat zo onbarmhartig hard kan zijn.

Dat ‒ en daarmee is de cirkel weer rond ‒ is wel weer een goed punt uit de schuldbelijdenis van onze landelijke kerk. Want die waarschuwt ons voor anti-joodse gevoelens en vooroordelen die diep in het christendom kunnen zitten, en voor het antisemitisme dat je nog steeds her en der tegenkomt in de samenleving. Waar dat opleeft, daar moeten we als kerk alert zijn. Zoals het goed is alert te zijn op elke andere vorm van racisme en discriminatie. Dus ook als het om vrouwen of gekleurde mensen gaat, om homoseksuelen en transgenders, om vredelievende moslims en andere goedwillende gelovigen. Jezus is te vinden bij mensen zonder aanzien, mensen die in deze wereld die in het nauw zitten. Laat dat dan ook de plek zijn waar we als kerk en als gelovigen te vinden zijn. Daar zijn we één met hem. Amen

 
terug