Preek van Paasmorgen, 17 april 2022 Preek van Paasmorgen, 17 april 2022
Opstaan in en na dit leven
 
Afgelopen Kerst, om precies te zijn Tweede Kerstdag, overleed aartsbisschop Desmond Tutu. Als leider van de Anglicaanse kerk in Zuid-Afrika had hij zich moedig verzet, zonder op te roepen tot geweld, tegen de apartheid. En vervolgens gaf hij leiding aan de commissie voor waarheid en verzoening tussen de bevolkingsgroepen. Een wijze man met een gulle lach, het evangelie straalde van hem af. Deze Tutu verrast menigeen met zijn uitvaartwens: hij liet zich resomeren, een nieuwe mogelijkheid naast begraven en cremeren. Het wordt ook wel aquameren of een watercrematie genoemd. Je lichaam wordt opgelost in water met alkali. Na afloop krijgen de nabestaanden, net als bij een crematie, een urn mee. De urn van Tutu kreeg een plek in de kathedraal van Kaapstad. Naast al het andere dat hij deed, was Tutu veel met het milieu bezig ‒ hij werd ergens een ecokrijger genoemd, een geuzennaam. En dat heeft weer verband met resomeren, want dat schijnt milieuvriendelijk te zijn. Het wordt wel het groene alternatief genoemd. In Nederland is het nog niet mogelijk maar dat zal wel snel veranderen. Al zal er, net als destijds met cremeren, de eerste tijd best weerstand tegen zijn. Ik moet toegeven dat het heel onaantrekkelijk en onwennig klinkt.

Dat een christelijke leider als Tutu hiervoor koos, trok de aandacht. Want daarmee gaf hij aan dat het aardse lichaam voor hem geen rol van betekenis speelt in de opstanding. Nee, uiteindelijk keren we hoe dan ook terug tot stof en as. Toch speelde het hebben van een graf lange tijd een grote rol onder gelovigen. Dat geldt ook voor orthodoxe joden: om erbij te zijn in de opstanding, moet je eigenlijk een graf hebben dat zich opent op de jongste dag. Dat maakte de vernietiging in Auschwitz nog erger dan het al was – de talloze mensen die daar omkwamen hadden geen graf gekregen. Daarbij komt de tekst van Ezechiël 37 om de hoek kijken. ‘Ik zal jullie graven openen’, belooft God daar bij monde van de profeet. ‘Ik zal jullie pezen geven, zal vlees op jullie botten laten groeien en jullie met huid overtrekken.’ De dorre beenderen komen weer tot leven in dit wonderlijke visioen dat lange tijd het beeld van de opstanding bepaalde.

Toch klopt er iets niet. Dit visioen van Ezechiël gaat niet over een leven na de dood. Wat de profeet hier beschrijft, gaat over opstaan ín dit leven, tijdens je aardse bestaan. Zijn volk is in ballingschap weggevoerd en kwijnt daar weg. In drie korte zinnen wordt dat verbeeld: onze botten zijn verdord, onze hoop is vervlogen, onze levensdraad afgesneden. Het zijn levende doden, verdord en zonder hoop. Is met dat moedeloze clubje nog iets te beginnen? Kunnen deze beenderen weer tot leven komen, vraagt God aan Ezechiël?

De profeet houdt zich wijselijk op de vlakte: Heer, dat weet U alleen. En dan belooft God dat ze zullen opstaan en terugkeren naar het beloofde land. De ballingschap zal ten einde lopen, er gloort nieuwe hoop met een nationaal herstel. Maar dan moet het volk wel opstaan en in beweging komen, hier en nu. Zoals de verloren zoon dat deed, de gelijkenis die we hier halverwege de Veertigdagentijd lazen. Ook die jongen is ver weggezakt in het dorre moeras van de wanhoop. Al zijn geld heeft hij verspild, terwijl er nu hongersnood heerst. Daar, in den vreemde, kan hij niets meer van zijn ouders verwachten. Toch vat hij dan de moed om op te staan en zijn leven om te gooien. Helemaal in de lijn van Ezechiël 37. En dan komt er toch ook voor hem een nieuw begin.

Opstanding 1.0 heb ik dat eerder genoemd. Dat is opstaan ín dit leven. Dat doet menigeen in zijn of haar leven wel eens, soms zelfs meerdere keren. Je beseft dat je niet goed bezig bent en op dood spoor bent geraakt. Dan kun je eindeloos doormodderen en verder wegzakken, of je gooit je leven om en geeft het een wending ten goede. Dat kan ook betekenen: goede hulp zoeken als je het op eigen kracht niet red. Als je lichamelijk op bent, psychisch in de knoop zit of financieel aan de grond. Ook dat is een teken van moed, dat je je eigen onmacht onder ogen ziet en onderkent dat je anderen nodig hebt. Bijvoorbeeld bij een hardnekkige verslaving, die veel discipline vraagt, of bij een lastige karaktereigenschap die je telkens weer opbreekt op je werk of in een relatie. Dan kan je geloof je sterken daar werk van te maken en kan God je de kracht, de nieuwe adem geven die je nodig hebt.

Van echt andere orde, gemeente, is de opstanding die Paulus verkondigt in zijn brief aan de Korintiërs. Daar gaat het wel over opstaan ná dit leven, een herrijzen uit de dood. Maar dat is voor Paulus geen herleven van ons oude lichaam. Opstanding is voor hem van heel andere aard. Er wordt een aards lichaam gezaaid, legt hij uit, maar een geestelijk lichaam opgewekt. Voor hem is dat echt een heel andere vorm van leven. Het is een nieuwe creatie, God maakt ons tot een nieuwe schepping die weinig te maken heeft met dit aardse bestaan. Ja, iets van ons moet wel herkenbaar blijven, een graankorrel, een soort kern van wie we zijn geweest. Maar verder moeten we niet te aards over het geheim van de opstanding denken. De gebroeders Ter Linden ‒ Nico bekend van ‘Het verhaal gaat…’, Carel van de koninklijke bruiloften ‒ konden dat krachtig onder woorden brengen. Volgens mij was het Nico die ooit schreef: opstanding is niet het tot leven komen van een lijk. Dat klinkt wat cru maar is wat Paulus betreft wel midden in de roos. Opstanding 2.0, want daar hebben we het dan over, is heel wat anders dan wat Ezechiël schrijft. We krijgen geen nieuw vlees op onze oude botten.

Prachtig klinkt dat ook door bij Lucas, als hij schrijft over het lege graf. Daar verschijnt geen Jezus van vlees en bloed die zich aan de vrouwen of leerlingen vertoont, maar is er alleen dat lege graf en wat linnen doeken. Daar moeten zij het mee doen, de opstanding zelf voltrekt zich buiten beeld, voor niemand te vatten en uit te tekenen. Pasen is niet te filmen. En ook als Jezus later wel verschijnt, bijvoorbeeld aan de Emmaüsgangers, is Hij niet zomaar een mens van vlees en bloed die ze meteen herkennen. Nee, Hij komt en gaat, Hij verschijnt even plotseling als Hij verdwijnt. Zo laat ook Lucas doorschemeren dat Jezus als levende Heer van een andere orde is. In termen van Paulus: het gaat bij opstanding om een onvergankelijk, geestelijk lichaam. En wat hem dan precies voor ogen staat, dat blijft grotendeels een raadsel. Voer voor theologen! Maar dat het iets heel anders is dan dit aardse bestaan, dat mag duidelijk zijn.

Voor deze overdenking, gemeente, ben ik weer eens te rade gegaan bij Wim Weren, die het boek schreef: ‘Dood – en dan?’ Hij verkent niet alleen wat te lezen valt bij Ezechiël en Paulus, maar ook wat er in latere tijden en andere culturen zoal gezegd en gedacht is over leven na de dood. Als hij vervolgens zelf de balans opmaakt, dan komt hij tot een uitspraak die ik vaak met instemming herhaal: opstanding is een postume verrassing. Het heeft bijna iets van geloven tegen beter weten in. Kletspraat, zo reageren de leerlingen op wat de vrouwen vertellen. Maar het is ook een hoop die niet sterven wil, zongen we in de Paaswake. We mogen ons laten verrassen, aldus Wim Weren, door de Eeuwige die trouw is en die we kennen als een creatieve God. Eerst in dit leven, als Hij ons tot bloei wil brengen, en dan ook na dit leven, als Hij ons nieuw maakt. Vandaar dat hardnekkige Paasgeloof, dat tegendraadse geloof in zoiets als een postume verrassing. Amen

 
terug