Preek van zondag 10 februari 2019 Preek van zondag 10 februari 2019

Lieve mensen, gemeente van Christus,

Die Jezus, was dat geen dominante man? Onlangs op de cursusavond over Marcus was dat de verrassende reactie van iemand, die vooraf dat evangelie nog eens had doorgelezen. Dat lijkt een hele klus, maar Marcus is niet zo dik. Als je een uur of vijf kwartier lekker doorleest, kom je een heel eind. En dan kom je inderdaad een Jezus tegen die mensen vrij straf oproept hem te volgen, en warempel: ze doen het. Of Hij stapt vanwege een opdringende menigte die hem bijna het water induwt, zomaar in iemands boot, zodat Hij hen vanaf het water kan toespreken. En Petrus ‒ op dat moment nog geen discipel ‒ zet de boot in beweging en vindt het allemaal best. Dat lazen we vanochtend. Na die toespraak is er nog zo’n moment: dan vraagt Jezus om wat verder het meer op te varen en de netten uit te werpen. Ook dat doet Petrus, maar nu na een licht protest. Ze hadden de nacht daarvoor niets gevangen, dus war had het voor zin? Toch doet hij het, alsof hij er niet omheen kan. Bevestigen deze dingen niet dat Jezus nogal dominant was, iemand die geen tegenspraak duldde?

Zelf zou ik dat woord niet gebruiken. Het ligt iets anders, iets subtieler. De evangelisten willen ons namelijk vertellen dat Jezus iemand is die optreedt met gezag. Hij is niet autoritair maar spreekt en handelt met autoriteit. Dat is een belangrijk onderscheid. Je hebt van die mensen die, als ze een ruimte betreden, meteen alle aandacht krijgen. Of die, als ze beginnen te spreken, meteen zo weten te boeien dat iedereen aan hun lippen hangt. Zoiets geldt ook voor Jezus. Hij treedt op  met zoveel gezag en autoriteit dat mensen er gewoon niet omheen kunnen. Met een grootsheid waarbij  iemand als Petrus zich heel klein voelt. Hij gaat door de knieën en vraagt Jezus zelfs om weg te gaan. Bij iemand die zoveel gezag en heiligheid uitstraalt weet Petrus zich, zegt hij zelf, een zondig mens. Maar Jezus gaat daar niet in mee, Hij vindt deze Petrus juist heel geschikt om hem te volgen. In plaats van vissen zal hij voortaan mensen gaan vangen.

Ook die woorden kunnen tot misverstanden leiden. ‘Mensen vangen’, dat roept associaties op met opdringerige geloofspro­paganda op straat of bekeringsijver aan de voordeur. Hier in Wijk zie ik regelmatig naast de huisbel een sticker hangen met deze dubbele boodschap: aan de deur wordt niet gekocht, en geloofsovertuigers worden evenmin gewaardeerd. Zelf durf ik dan nog net aan te bellen, omdat het meestal eigen gemeenteleden zijn met wie je een afspraak hebt. Maar toch ben je even bang dat aan de andere kant van de deur een grommende bouvier staat. Mensen vangen, wat bedoelt Jezus daarmee? Staat hem ergens ook zo’n dwingende manier van evangeliseren voor ogen? Ongetwijfeld niet, hier gaat het echt om iets anders. Het is niet de bedoeling mensen zeg maar het geloofsnet in te duwen en ‒ nog wat tegensparte­lend ‒ het schip van de kerk binnen te hijsen. Dat onvrije gaat in tegen alles wat Jezus voor ogen staat.

Wat wel de bedoelding is, zie je vandaag de dag heel letterlijk op de Middellandse Zee gebeuren. Met berooide vluchtelingen die in overvolle en gammele bootjes naar Europa reizen en onderweg schipbreuk lijden. Daar waar velen al verdronken zijn, worden anderen nog net gered, vaak  door vrijwilligers die daar patrouilleren. Zij zijn letterlijk ‘vissers van mensen’ die eerst als vissen worden gevangen en daarna ook opgevangen, op een plek waar ze weer grond onder de voeten krijgen. Alle problemen die dan op hen wachten zijn genoegzaam bekend, maar dat alles doet niets af aan dit mooie reddingswerk. Zoiets staat Jezus ook voor ogen, maar dan minder letterlijk, meer in figuurlijke zin. Hij ziet dat mensen ook op andere wijze kopje onder gaan en schipbreuk lijden in hun leven. Het water staat hen aan de lippen. Ze gaan niet alleen kapot aan het stijgende water op aarde, aan een tsunami of ander natuurgeweld dat hen overspoeld, maar ook aan langdurige armoe of honger of aan de blinde haat en agressie in hun omgeving. Of ze lijden aan eenzaamheid, aan stress en overbelasting, aan lichamelijke uitputting of geestelijke verwarring. Ze voelen zich reddeloos verloren.

Dat is iets van alle tijden en plaatsen. Als we er even bij stilstaan, dan schiet ons allemaal wel een naam of gezicht te binnen. Ja, misschien is dat wel je eigen gezicht, omdat je er zelf midden inzit. Staande blijven in dit leven, vaste grond onder je voeten voelen, dat gaat niet vanzelf en is kan een hele worsteling zijn. Vaak ben je dan ook aangewezen op anderen die om je heen staan. En precies dat vraagt Jezus hier van zijn volgelingen: dat ze zich belangeloos inzetten voor de ander, dat ze elkaar helpen het hoofd boven water te houden, dat ze samen een fijnmazig net vormen, een netwerk van mensen waarin je elkaar opvangt. In die zin wil de kerk zo’n fijnmazig netwerk zijn, van mensen die instaan voor elkaar en ook zorg willen dragen voor de onbekende ander, ver weg in deze wereld. Daarin wordt vanochtend Luus als dopeling opgenomen, in een netwerk van geloof, hoop en liefde, een netwerk
van betrokkenheid op God en elkaar.

Het is niet alleen haar achternaam die mooi past bij deze zondag. Ook het water, zo rijkelijk aanwezig is in het verhaal van Lucas, hoort helemaal bij haar doop. Want water heeft in de Bijbel een dubbele betekenis. Enerzijds staat het symbool voor gevaar, dreiging en dood. Dat weten we van Noach en zijn ark, meegenomen in de zondvloed, maar ook van recente tv-beelden, nu weer uit Brazilië: water kan alles overspoelen en vernietigen, en dan dood en verderf zaaien. Zoals gezegd, je kunt er kopje onder in gaan. Maar ook is water de bron van leven, die de natuur doet bloeien en voor mensen een noodzaak is. Zonder eten kunnen we het soms weken volhouden, zonder water maar een paar dagen. Die beide betekenissen spelen ook mee in de Doop. Die vertelt van God bij wie je geborgen bent en je helpt om als Noach te blijven drijven, als het water je overspoelt. Ook gaat het in de Doop om God die als bron van liefde en levend water ons telkens wil voeden, reinigen en vernieuwen. Water is een rijk symbool waarover veel te zeggen valt, maar dat kan nog wel een andere keer. Want de Bijbel staat vol met waterverhalen. Denk alleen maar even aan Jezus die niet altijd, zoals vandaag, een bootje nodig heeft, maar ‒ zo gaat het verhaal ‒ zelf over het water zou kunnen lopen. Hoe betekenisvol is dat. Ja, zo komt in de Bijbel die rijke, dubbele symboliek van water keer op keer voorbij.

Waar aan het begin al een paar verwijten klonken ‒ is Jezus niet dominant, is het evangelie niet opdringerig? ‒ daar eindig ik met een laatste verwijt. Is christelijk geloof geen vlucht uit de werkelijkheid, uit de harde realiteit van alle dag. Door ons te vertellen dat het niet om dit aardse bestaan gaat maar enkel om het ware leven dat ons na de dood, bij God zou wachten? Dat is de kerk door denkers als Friedrich Nietzsche en Karl Marx voor de voeten geworpen – ik moet toegeven, niet zonder reden. Er zijn vormen van wereldmijdend en verdovend geloof die daar alle schijn van hebben. Maar dat is niet wat Jezus ons hier laat zien. Voor hem heeft geloven in God alles te maken met concrete liefde voor de naaste, in het bijzonder voor wie kopje ondergaan in het leven. Zo worden zijn eerste discipelen, van huis uit goede vissers, omgeschoold tot een kleine actieve reddingsbrigade. Ze gaan mensen vangen, dus uit het water vissen en op het vaste land brengen. Daar waar het leven goed is, met God en met elkaar.

Zo wijst het evangelie ons dus eerst op het hier en nu, en pas in tweede instantie op het leven na de dood. Want ook dat is waar: die hoop ontbreekt niet in de Bijbel. De hoop dat we, als we voorgoed kopje ondergaan in het leven, niet eindigen in het grote niets. Niet in een zee van leegte maar een zee van liefde, omdat God ons op een of andere manier opvangt en vasthoudt. Hij zal zich onze naam herinneren, de naam die we ontvangen bij onze doop. Dat is de hoop die we als kerk koesteren voorbij de dood: dat onze naam nooit verloren gaat bij de Eeuwige. Amen

Doop- en zangdienst, zondag 10 februari 2019
Grote Kerk, Protestantse gemeente Wijk bij Duurstede
Verkondiging bij Lucas 5, 1-11
ds. Jan Offringa
Lieve mensen, gemeente van Christus,

Die Jezus, was dat geen dominante man? Onlangs op de cursusavond over Marcus was dat de verrassende reactie van iemand, die vooraf dat evangelie nog eens had doorgelezen. Dat lijkt een hele klus, maar Marcus is niet zo dik. Als je een uur of vijf kwartier lekker doorleest, kom je een heel eind. En dan kom je inderdaad een Jezus tegen die mensen vrij straf oproept hem te volgen, en warempel: ze doen het. Of Hij stapt vanwege een opdringende menigte die hem bijna het water induwt, zomaar in iemands boot, zodat Hij hen vanaf het water kan toespreken. En Petrus ‒ op dat moment nog geen discipel ‒ zet de boot in beweging en vindt het allemaal best. Dat lazen we vanochtend. Na die toespraak is er nog zo’n moment: dan vraagt Jezus om wat verder het meer op te varen en de netten uit te werpen. Ook dat doet Petrus, maar nu na een licht protest. Ze hadden de nacht daarvoor niets gevangen, dus war had het voor zin? Toch doet hij het, alsof hij er niet omheen kan. Bevestigen deze dingen niet dat Jezus nogal dominant was, iemand die geen tegenspraak duldde?

Zelf zou ik dat woord niet gebruiken. Het ligt iets anders, iets subtieler. De evangelisten willen ons namelijk vertellen dat Jezus iemand is die optreedt met gezag. Hij is niet autoritair maar spreekt en handelt met autoriteit. Dat is een belangrijk onderscheid. Je hebt van die mensen die, als ze een ruimte betreden, meteen alle aandacht krijgen. Of die, als ze beginnen te spreken, meteen zo weten te boeien dat iedereen aan hun lippen hangt. Zoiets geldt ook voor Jezus. Hij treedt op  met zoveel gezag en autoriteit dat mensen er gewoon niet omheen kunnen. Met een grootsheid waarbij  iemand als Petrus zich heel klein voelt. Hij gaat door de knieën en vraagt Jezus zelfs om weg te gaan. Bij iemand die zoveel gezag en heiligheid uitstraalt weet Petrus zich, zegt hij zelf, een zondig mens. Maar Jezus gaat daar niet in mee, Hij vindt deze Petrus juist heel geschikt om hem te volgen. In plaats van vissen zal hij voortaan mensen gaan vangen.

Ook die woorden kunnen tot misverstanden leiden. ‘Mensen vangen’, dat roept associaties op met opdringerige geloofspro­paganda op straat of bekeringsijver aan de voordeur. Hier in Wijk zie ik regelmatig naast de huisbel een sticker hangen met deze dubbele boodschap: aan de deur wordt niet gekocht, en geloofsovertuigers worden evenmin gewaardeerd. Zelf durf ik dan nog net aan te bellen, omdat het meestal eigen gemeenteleden zijn met wie je een afspraak hebt. Maar toch ben je even bang dat aan de andere kant van de deur een grommende bouvier staat. Mensen vangen, wat bedoelt Jezus daarmee? Staat hem ergens ook zo’n dwingende manier van evangeliseren voor ogen? Ongetwijfeld niet, hier gaat het echt om iets anders. Het is niet de bedoeling mensen zeg maar het geloofsnet in te duwen en ‒ nog wat tegensparte­lend ‒ het schip van de kerk binnen te hijsen. Dat onvrije gaat in tegen alles wat Jezus voor ogen staat.

Wat wel de bedoelding is, zie je vandaag de dag heel letterlijk op de Middellandse Zee gebeuren. Met berooide vluchtelingen die in overvolle en gammele bootjes naar Europa reizen en onderweg schipbreuk lijden. Daar waar velen al verdronken zijn, worden anderen nog net gered, vaak  door vrijwilligers die daar patrouilleren. Zij zijn letterlijk ‘vissers van mensen’ die eerst als vissen worden gevangen en daarna ook opgevangen, op een plek waar ze weer grond onder de voeten krijgen. Alle problemen die dan op hen wachten zijn genoegzaam bekend, maar dat alles doet niets af aan dit mooie reddingswerk. Zoiets staat Jezus ook voor ogen, maar dan minder letterlijk, meer in figuurlijke zin. Hij ziet dat mensen ook op andere wijze kopje onder gaan en schipbreuk lijden in hun leven. Het water staat hen aan de lippen. Ze gaan niet alleen kapot aan het stijgende water op aarde, aan een tsunami of ander natuurgeweld dat hen overspoeld, maar ook aan langdurige armoe of honger of aan de blinde haat en agressie in hun omgeving. Of ze lijden aan eenzaamheid, aan stress en overbelasting, aan lichamelijke uitputting of geestelijke verwarring. Ze voelen zich reddeloos verloren.

Dat is iets van alle tijden en plaatsen. Als we er even bij stilstaan, dan schiet ons allemaal wel een naam of gezicht te binnen. Ja, misschien is dat wel je eigen gezicht, omdat je er zelf midden inzit. Staande blijven in dit leven, vaste grond onder je voeten voelen, dat gaat niet vanzelf en is kan een hele worsteling zijn. Vaak ben je dan ook aangewezen op anderen die om je heen staan. En precies dat vraagt Jezus hier van zijn volgelingen: dat ze zich belangeloos inzetten voor de ander, dat ze elkaar helpen het hoofd boven water te houden, dat ze samen een fijnmazig net vormen, een netwerk van mensen waarin je elkaar opvangt. In die zin wil de kerk zo’n fijnmazig netwerk zijn, van mensen die instaan voor elkaar en ook zorg willen dragen voor de onbekende ander, ver weg in deze wereld. Daarin wordt vanochtend Luus als dopeling opgenomen, in een netwerk van geloof, hoop en liefde, een netwerk
van betrokkenheid op God en elkaar.

Het is niet alleen haar achternaam die mooi past bij deze zondag. Ook het water, zo rijkelijk aanwezig is in het verhaal van Lucas, hoort helemaal bij haar doop. Want water heeft in de Bijbel een dubbele betekenis. Enerzijds staat het symbool voor gevaar, dreiging en dood. Dat weten we van Noach en zijn ark, meegenomen in de zondvloed, maar ook van recente tv-beelden, nu weer uit Brazilië: water kan alles overspoelen en vernietigen, en dan dood en verderf zaaien. Zoals gezegd, je kunt er kopje onder in gaan. Maar ook is water de bron van leven, die de natuur doet bloeien en voor mensen een noodzaak is. Zonder eten kunnen we het soms weken volhouden, zonder water maar een paar dagen. Die beide betekenissen spelen ook mee in de Doop. Die vertelt van God bij wie je geborgen bent en je helpt om als Noach te blijven drijven, als het water je overspoelt. Ook gaat het in de Doop om God die als bron van liefde en levend water ons telkens wil voeden, reinigen en vernieuwen. Water is een rijk symbool waarover veel te zeggen valt, maar dat kan nog wel een andere keer. Want de Bijbel staat vol met waterverhalen. Denk alleen maar even aan Jezus die niet altijd, zoals vandaag, een bootje nodig heeft, maar ‒ zo gaat het verhaal ‒ zelf over het water zou kunnen lopen. Hoe betekenisvol is dat. Ja, zo komt in de Bijbel die rijke, dubbele symboliek van water keer op keer voorbij.

Waar aan het begin al een paar verwijten klonken ‒ is Jezus niet dominant, is het evangelie niet opdringerig? ‒ daar eindig ik met een laatste verwijt. Is christelijk geloof geen vlucht uit de werkelijkheid, uit de harde realiteit van alle dag. Door ons te vertellen dat het niet om dit aardse bestaan gaat maar enkel om het ware leven dat ons na de dood, bij God zou wachten? Dat is de kerk door denkers als Friedrich Nietzsche en Karl Marx voor de voeten geworpen – ik moet toegeven, niet zonder reden. Er zijn vormen van wereldmijdend en verdovend geloof die daar alle schijn van hebben. Maar dat is niet wat Jezus ons hier laat zien. Voor hem heeft geloven in God alles te maken met concrete liefde voor de naaste, in het bijzonder voor wie kopje ondergaan in het leven. Zo worden zijn eerste discipelen, van huis uit goede vissers, omgeschoold tot een kleine actieve reddingsbrigade. Ze gaan mensen vangen, dus uit het water vissen en op het vaste land brengen. Daar waar het leven goed is, met God en met elkaar.

Zo wijst het evangelie ons dus eerst op het hier en nu, en pas in tweede instantie op het leven na de dood. Want ook dat is waar: die hoop ontbreekt niet in de Bijbel. De hoop dat we, als we voorgoed kopje ondergaan in het leven, niet eindigen in het grote niets. Niet in een zee van leegte maar een zee van liefde, omdat God ons op een of andere manier opvangt en vasthoudt. Hij zal zich onze naam herinneren, de naam die we ontvangen bij onze doop. Dat is de hoop die we als kerk koesteren voorbij de dood: dat onze naam nooit verloren gaat bij de Eeuwige. Amen

 

terug