Preek zondag 2 september 2018 Preek zondag 2 september 2018

Mensen als bomen
 
In mijn geboortedorp hadden we een vreemde kapper. Hij weigerde te luisteren als we hem smeekten er niet te veel al te halen. Hij hield van kort en kaal. Onverstoorbaar zoefde zijn tondeuse dus over onze kinderhoofden. Ook had hij de nare gewoonte je aan de oren te trekken. Dan fluisterde hij je toe: ‘moet ik je eens even achter de oren spuwen’. U begrijpt: toen we maar even de kans kregen, vluchtten we naar de concurrent verderop. Dat was zo’n moderne kapper die voor méér geld heel wat minder haren verwijderde. En die vrolijk mee babbelde over de laatste mode of muziek, zonder ons te bedreigen met zijn speeksel.
 
Spugende mensen vinden we niet prettig. Het kan ook iets agressiefs krijgen. Jongelui kunnen bijvoorbeeld al spugend hun minachting uitstralen voor alles en iedereen. Die kom je liever niet tegen op straat. We vinden dat alles behalve fris. In de Bijbel ligt dat anders. In de tijd van Jezus geldt dat speeksel, zeker dat van bijzondere mensen, wonderlijke kracht kan hebben. Dat proef je in de lezing van vanochtend, het verhaal van Marcus over de genezing van een blinde. Wat wij nogal raar vinden ‒ dat Jezus spuugt in of op de ogen van de blinde man – daar kijkt men in zijn omgeving niet vreemd van op. Want men kent Jezus als een charismatische genezer die mensen bewust aanraakt, hen fysiek de handen oplegt en soms bijzondere gebruiken praktiseert. Iets dergelijks komen we ook tegen in een andere verhaal, de blindgeborene in Johannes 9. Daar gebruikt Jezus eveneens speeksel, gemengd met zand. Zo maakt Hij een papje van modder, en strijkt dat op de ogen van de blinde.
 
Opvallend is dat een evangelist als Lucas deze verhalen weglaat. Misschien wel omdat Lucas, die zelf waarschijnlijk arts was, er zo zijn vraagtekens bij heeft. Of omdat hij de nodige gêne kent om zo’n wonderlijk gebruik in zijn evangelie wereldkundig te maken. Zou zo’n verhaal geen afbreuk doen aan het imago van Jezus? Het zou onder meer gecultiveerde mensen wel eens afwijzende reacties kunnen oproepen. Wat zijn dat voor oude, primitieve gebruiken? Een huiver die we vandaag de dag ongetwijfeld kunnen meevoelen. Al is het gebruik ook bij ons niet helemaal weg. Want slechts even hoeft moeders natgemaakte vinger de wond van een kind te strelen, en het gaat al weer een heel stuk beter. Helaas, bij vaders schijnt dat minder goed te werken.
 
Dat brengt me bij een tweede wonderlijk element in ons verhaal: de uitspraak van de blinde man, halverwege zijn genezingsproces. Pas in tweede instantie gaan zijn ogen helemaal open. De eerste keer gebeurt dit nog maar half, dan is zijn blik nog troebel. Dan ziet hij de mensen in zijn omgeving ‘rondlopen als bomen’, zo zegt hij zelf. Een bijzonder beeld, mensen als wandelende bomen. Je weet niet goed wat je ermee moet. Zou het meer zijn dan zomaar een mededeling, zou het een speciale bedoeling of betekenis hebben? Dat is moeilijk te achterhalen. Ik moest denken aan een artikel dat ik ooit las, over mensen die na jarenlange blindheid alsnog leerden zien. Soms gebeurt dat, maar dat is minder gemakkelijk dan je denkt. Want kijken doe je niet alleen met je ogen, maar ook met je hersenen. Die coördineren namelijk de onderdelen van onze waarneming, en maken er één geheel van. Als je hersenen nooit eerder een beeld van een kat hebben gevormd, dan zie je alleen ‒ los van elkaar ‒ een stel poten, een neus, een staart en twee oren. Maar je kunt er nog geen kat van maken! Leren kijken ‒ dat geldt ook voor baby’s ‒ is een ingewikkeld proces van ogen en hersenen samen. Iets daarvan klinkt door in dit oude verhaal met die wandelende bomen.
 
Op zich is het een mooi en ook vertrouwd beeld. Je hoort vaak dat mensen zich met een boom vergelijken, om aan te geven hoe ze zich voelen of naar zichzelf kijken. Bomen als een soort levensbeeld. Iemand kan fier en vol zelfvertrouwen door het leven gaan, als een ceder van de Libanon. Een ander herkent zich echter meer in een knotwilg, gebarsten door de elementen of kromgetrokken door de wind. Een boom kan vol blad zitten – zoals een mens die anderen schaduw biedt door aandachtig te leven. Maar ook kan iemand, die een goede vriend verloor, aangeven dat bij hem of haar een mooie tak is afgebroken. En na het verlies van een innig geliefde kun mensen zeggen dat ze totaal ontworteld zijn. Ook in de Bijbel wordt graag met deze symboliek gespeeld. Denk aan de profeet Jesaja, van wie we een kort fragment lazen. In een eerder hoofdstuk kan hij Israël vergelijken met een kale boomstronk, waaruit hij weer een nieuw takje ziet opbloeien. Een rijsje uit de tronk van Isaï. Zo verlangt Jesaja naar de messias die nieuwe hoop wekt bij zijn volk, nadat alles zo dood en uitzichtloos leek. Nadat velen ‒ lazen we vandaag ook in Jesaja 29 ‒ door en blind waren geweest, terwijl onrecht en geweld welig tierden.
 
De boom is ook een mooi beeld voor een spiritueel mens, die met God verbonden is zonder te gaan zweven. Want een boom krijgt van twee kanten voeding, zowel uit hun wortels als uit hun bladeren en takken. Ook mensen hebben iets nodig van die dubbele voeding. Wortels duiden dan op onze aardse banden, op onze verankering in deze wereld. Op de liefde die je als kind nodig hebben van je ouders en ook van anderen, van de vrienden die je maakt en de partner die je hopelijk vindt. Dat kan je helpen om steviger in je schoenen te staan en met vertrouwen je weg te zoeken. Ondertussen wijzen de stam en de takken met hun bladeren de andere kant op, omhoog richting de hemel. Daar is onze geestelijke of spirituele voeding te vinden. Zij wijzen naar God als de zon van ons bestaan. Ze wijzen op de warmte, de liefde en de geborgenheid die een mens kan vinden bij de Eeuwige. Want we zijn dan wel een stofje in dat eindeloze heelal ‒ ook dat beseffen we vandaag de dag als we naar de hemel staren. Maar van godswege is er die stille stem die ons bestaan bevestigt: mensenkind, het is goed dat je er bent, je bent volop de moeite waard en je mag je levensweg in vertrouwen gaan.
 
Zulke woorden van troost en bemoediging beschijnen en voeden ons leven, zoals de zon dat doet met de bomen. Ook die voeding is onmisbaar, houdt de Bijbel ons voor, wil je staande blijven als een mens van geloof, hoop en liefde. Wil je niet wegzakken in het moeras van de wanhoop en apathie, de onverschilligheid. Omdat we niet meer zouden zijn dan een stipje in het heelal. Of zoals een dichter het ooit poëtisch verwoordde: ‘een broodkruimel op de rok van het universum’. Dat is ongetwijfeld waar, maar dat heeft niet het laatste woord. We zijn meer dan dat, houdt de Bijbel ons voor, want we zijn door God gekend en geliefd. Ons leven, hoe weinig het ook voorstelt in het licht van de eeuwigheid, is voor hem de moeite waard. Dat besef nodigt ons uit ‘meer dan gewoon’, dus ook geestelijk of spiritueel te leven. Dat is leven met God, verbonden met de hemel, zonder los te komen van de aarde. Want leven met God gaat nooit ten koste van aandacht en liefde voor je naaste. Van opkomen voor vrede en recht. Nee, kijk naar de bomen, zij geven het goede voorbeeld. Je kunt leven met je hoofd in de wolken terwijl je tegelijk met beide voeten op de grond blijven staan.
 
Net als bomen hebben mensen voeding nodig: aards brood en hemels brood. Daar stonden we vorige week al even bij stil, toen het verhaal van de wonderbare spijziging voorbij kwam. Dat is altijd een maaltijd vol symboliek. Mensen hebben dagelijks hun aardse brood nodig om gezond te blijven en in beweging te komen. Mensen hebben ook hemels brood nodig, in de ervaring dat ze door God gezien en gekend worden. Ze mogen delen in zijn geestrijke nabijheid, ze kunnen opleven in zijn royale liefde en genade. Als we dat niet horen, vertelt het evangelie, wil Jezus onze oren openen. Als we dat niet kunnen zien, wil Hij ook onze ogen openen en genezen. Hij wil ons voeden met de goddelijke liefde waar Hij zelf zo vol van was. Liefde die Hij niet voor zichzelf kon houden maar wil delen met ons. Hij nodigt ons aan tafel, voor dat spirituele maal met hem en met elkaar. Daar vieren we het geheim van de Geest: Hij in ons en wij in hem. Amen
 

 

terug