Preek van Hemelvaartsdag 21 mei 2020 Preek van Hemelvaartsdag 21 mei 2020
Bescheiden en vrijmoedig
Misschien hebt u al iets meegekregen van de serie over bijbelse twijfelaars. Die reeks filmpjes zenden we uit via onze website, op zondagen dat ik vrij ben. Afgelopen week hebben we er weer twee opgenomen. Eén over Jona, die is vanaf komende zondag te bekijken. De ander, over Prediker, komt 7 juni online. Telkens gaat het dus over iemand in de Bijbel die worstelt met een zekere twijfel of met verwarrende vragen. We begonnen, enigszins voorspelbaar, met Thomas, de discipel die in de volksmond zelfs ‘de ongelovige Thomas’ wordt genoemd. Maar onder de leerlingen van Jezus blijkt hij geen uitzondering. Want als we vandaag het slot van Matteüs lezen, dan wordt daar eerlijk verteld dat meer discipelen er last van hebben. Als ze in Galilea de berg opgaan waarop Jezus hen zal ontmoeten, dan brengen ze hem hulde – staat er ‒ maar sommigen twijfelen nog. Dat is opvallend. Tot op het allerlaatste moment, tot aan zijn afscheid heerst er een zekere twijfel onder Jezus’ volgelingen.
Waar dat in zit, vertelt Matteüs er niet bij. Maar we kunnen er ons wel iets bij voorstellen. Ik denk dat sommigen niet goed weten of ze nu in een droom of in de werkelijkheid leven. De tijd na Pasen is voor hen ronduit verwarrend. Zo zijn er allerlei momenten waarop Jezus zomaar verschijnt en weer verdwijnt. Met als gevolg dat sommigen met grote stelligheid beweren dat ze de levende Heer hebben gezien, terwijl anderen vermoeden dat het om inbeelding ging, een zinsbegoocheling. Vreemd is ook dat iemand als Maria Magdalena hoort dat ze Jezus niet mag aanraken, terwijl Thomas de opdracht krijgt dat juist wel te doen. Zo laat het evangelie zelf een verwarring zien die teruggaat op de eerste getuigen. Zij weten niet wat ze meemaken, ze worden heen en weer geslingerd tussen droom en werkelijkheid.
Ook kan het zijn dat sommige leerlingen twijfelen aan het door Jezus beloofde koninkrijk. Is dat echt in aantocht, zou dat er ooit van komen? Die vraag heeft Gerard van het Reve ooit nieuw leven in geblazen, toen hij zich in een gedicht afvroeg: ‘Heer, dat koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?’ Hij schreef het nadat hij het graf zag van een achttienjarige jongen. Als iemand zo jong overlijdt, roept dat grote vragen op. Ook hier in Wijk hebben we het weer meegemaakt, het tragische ongeval van Sadra, aan wiens jonge en veelbelovende leven plotseling een einde kwam. Hoe lang blijven zulke dingen nog gebeuren? Zou dat koninkrijk, die nieuwe wereld van God, werkelijk in aantocht zijn? Sommige leerlingen van Jezus lijken daar, net als Reve, hun vraagtekens bij te hebben. Of ze twijfelen aan zichzelf. Kunnen ze dat wel aan, moeten ze echt dat koninkrijk verkondigen en tegelijk waarmaken in hun leven, in heel hun doen en laten? Is dat niet te zwaar, te moeilijk, teveel gevraagd? Moet je daarvoor geen supermens worden, moet je daarvoor niet bij Jezus zelf zijn?
Mij verbaast in dit verhaal, dat Jezus niets met die twijfel doet. Hij heeft altijd zo scherp in het oog wat er leeft in en onder mensen. Ook deze aarzelende houding moet Hij toch gevoeld hebben. Toch gaat Hij er niet op in, Hij maakt het niet bespreekbaar en doet ook geen poging hen te overtuigen of moed in te spreken. Waarom niet? Kan het zijn, zat ik te denken, omdat Hij zelf zoiets heeft meegemaakt? Ik denk dan aan zijn worsteling in de hof van Getsemane, in de nacht voor zijn sterven. Dan maakt Jezus zelf een diepe vertwijfeling door en lijkt Hij bijna te breken. Vaak wordt dat uitgelegd als angst, voor zijn naderende kruisdood en voor alle vernedering en pijn waarmee dat gepaard gaat. Maar naast die angst vfan Jezus proef je ook iets van twijfel. De vertwijfeling die ook zijn discipelen voelen: zitten we wel op het goede spoor, is dit echt de weg van God? Op die manier kan ook Jezus op het laatst opeens twijfelen aan zijn missie, zijn roeping. Is de stem die Hij hoort en volgt, wel echt de stem van de Eeuwige? Want als dat niet zo is, dan zou alles voor niets zijn, zo zinloos en tevergeefs. Dan zou alles op een illusie berusten. Zou Jezus dat misschien in zijn leerlingen herkennen: dezelfde twijfel die Hij in Getsemane kende, in die nacht vol aanvechting?
Enkelen twijfelen nog, vertelt Matteüs eerlijk. Zelf kan ik die woorden wel waarderen. Blijkbaar was dat geen bezwaar toen Jezus hen bij zijn afscheid de opdracht gaf om de wereld in te trekken. Om ook anderen zijn onderricht door te geven en hen uit te dagen zich te laten dopen. Die twijfel hoeven we niet weg te poetsen maar kan juist van betekenis zijn. Misschien is het wel een mooie richtlijn voor hoe wij in deze tijd het evangelie kunnen uitdragen. Want dat kan niet meer – beseffen we al te goed ‒ als zeg maar zending oude stijl. Het lukt niet meer om zoiets als een ‘algemeen onbetwijfeld christelijk geloof’ te verkondigen, als een massief, in beton gegoten verhaal. Uitgedragen door mensen die, ongetwijfeld met alle goede bedoelingen, volledig overtuigd waren van hun eigen gelijk. Want de ander, ach, die wist het niet, begreep het nog niet of deugde gewoon niet. Die tijd is voorbij ‒ gelukkig, zou ik zeggen. Want zo kun je en wil je niet omgaan met zoiets kostbaars als het evangelie.
Vandaag de dag zoekt de kerk naar zending nieuwe stijl. Of liever, want zo heet dat nu, naar onze missionaire presentie, onze aanwezigheid in de stad en de wereld om ons heen. Dat is niet eenvoudig, weten we ook van onze stagiair Rik. Het is een tijd van experimenteren en pionieren. Een tijd ook waarin het evangelie alles behalve vanzelfsprekend is. Ons verhaal heeft bij velen z’n geloofwaardigheid verloren. Het is, schreef Kuitert dertig jaar geleden al, een ‘algemeen betwijfeld christelijk geloof’ geworden. Dat beseffen we ook binnen de kerk. Het evangelie is best een kwetsbaar verhaal, met allerlei grote woorden en beloften. Over de komst van een nieuwe wereld, het koninkrijk van God, waarin al het kwaad is overwonnen. Over een nieuw leven vóór de dood, waarin liefde de toon zet. En over een nieuw leven ná de dood waarvoor, zoals Pasen hoopvol verkondigt, God zelf borg zal staan. Over die dingen leeft ook binnen de kerk best wat twijfel. En een of andere manier hoort dat erbij. Geloven is geen zeker weten en moet dat ook zeker niet worden.
Aan de een kant maakt je dat bescheiden. Het evangelie is een kwetsbaar verhaal dat je niet met veel tamtam een ander kunt opdringen. Alsof het allemaal zo logisch en doorzichtig is. Maar ook wil je er iets van delen. Geloof is altijd weer een troostrijk en inspirerend verhaal. Het opent onverwachte perspectieven, het tilt je uit boven jezelf en de status quo, het daagt je uit tot tegendraads geloof, dat vol is van hoop en liefde. Daarom past het ons om niet alleen bescheiden maar ook vrijmoedig te zijn. Gewoon vertellen wat geloven met ons doet, wat we vieren en beleven in de kerk, en hoe ons leven zin en richting krijgt vanuit het evangelie. Dat mag onze nieuwe missionaire houding worden: enerzijds blijven we bescheiden en vermijden we grote stelligheid, anderzijds laten we openlijk zien hoe geloof en kerk ons inspireren. Dan zijn we transparant, en staat niets ons in de weg anderen uit te nodigen mee te doen. Om het evangelie te delen, samen waar te maken en ook samen uit te dragen. Vrijmoedig, niet opdringerig.
Zo, vertelt Matteüs ons, is het verhaal over Jezus ooit de wereld ingegaan. Uitgedragen door af en toe wankele, twijfelende gelovigen, maar tegelijk ook door bijzonder moedige getuigen. Amen



 
terug