Preek van zondag 17 mei 2020 Preek van zondag 17 mei 2020
De Tien Woorden

In de krant die ik lees komen wekelijks de Tien Geboden voorbij. Want dat is het patroon, het format waarin Arjan Visser in dagblad Trouw het gesprek zoekt met min of meer bekende Nederlanders. Aan bod komt steevast in hoeverre iemand in God gelooft (of doen ze liever een beetje Boeddha?), of iemand goede ouders had, of hij of zij wel eens gelogen of gestolen heeft, en of het gelukt is een stabiele liefdesrelatie op te bouwen. Op die manier worden de Tien Geboden elke zaterdag weer verrassend actueel. Niet als een lijstje waarop iemand afgerekend wordt, maar als handreiking voor een open en vaak diepgaand gesprek. Een mooi moment van zelfreflectie, ook voor de lezer.

Vaak is het anders. Dan roepen deze geboden vooral lastige vragen op. Zijn ze niet te streng, te ouderwets en daarmee achterhaald? Zo was er een jaar geleden nog een aardige discussie over het tweede gebod. Daar staat ‒ we hoorden het zo-even nog ‒ dat God de kinderen laat boeten voor de schuld van de ouders. Hij zou ze straffen tot in het derde en vierde geslacht. Dat is niet zo’n prettige gedachte. Verderop in de Bijbel klinken gelukkig ook heel andere geluiden. Je bent alleen voor je eigen fouten verantwoordelijk, benadrukt een profeet als Ezechiël. Daarin krijgt hij volgens het evangelie bijval van niemand minder dan Jezus zelf, die evenmin in zulke patronen denkt. Je mag kinderen van NSB-ers dus niet afrekenen op de keuze van hun ouders. Maar dikwijls  is de praktijk weerbarstig. We willen toch graag weten uit wat voor een nest iemand komt. Minstens één of twee generaties terug.

Maar klopt die vertaling wel, was een jaar geleden de vraag aan het NBG, het Nederlands Bijbelgenootschap. Betekent het Hebreeuwse woord dat hier staat ‒ paqad ‒ wel ‘boeten’. Daarover schreef een van de vertalers een mooi en genuanceerd artikel. Vaak betekent paqad inderdaad ‘straffen’ of ‘laten boeten’, maar het kan ook minder streng. Je kunt ook zeggen dat God de kinderen ter verantwoording roept. Dan worden ze geconfronteerd met het gedrag van hun ouders en daarop aangesproken. Maar dat hoeft niet meteen uit te lopen op iets van straf of boete. Wie weet komt dat ooit in een herziene vertaling te staan: God roept de kinderen ter verantwoording voor het wangedrag van hun ouders. Zo van: zijn jullie een aardje naar je vaartje, valt de appel niet ver van de boom? Of hebben jullie daar afstand van genomen? Zo is er beter met die tekst te leven, al blijft het schuren. Het past meer in de samenleving van toen dan van nu, waar een stam of clan generaties lang z’n kwaad kon herhalen. Dat kwamen we vorige week nog tegen rond Amalek, een volk waarin het kwaad maar door etterde.

Zo’n kwestie geeft aan waarom ik de Tien Woorden niet regelmatig in de eredienst gebruik. Aan de ene kant zijn ze heel vertrouwd en hebben ze ongetwijfeld bijgedragen aan de morele vorming van mensen en aan de humaniteit in deze wereld. Aan de andere kant zitten er zoveel haken en ogen aan. Dat zit niet alleen in dat tweede gebod, ook elders kan het flink schuren. Zo vraagt het vijfde gebod om eerbied te tonen voor je vader en je moeder. Maar stel dat je als kind bent verwaarloosd, gekleineerd of zelfs misbruikt. Stel dat ze je jeugd tot een hel hebben gemaakt. Dan roept zo’n gebod alleen maar weerstand op. Of neem het laatste gebod: ‘Zet je zinnen niet op het huis van een ander en evenmin op zijn vrouw’. Je hoeft geen feminist te zijn om daar even bij te slikken. Hier wordt de vrouw blijkbaar tot de bezittingen van de man gerekend, samen met zijn huis en verderop met zijn slaven en zijn vee, zijn rund en ezel. Zo kom je in deze tekst opeens tot de ontdekking dat hier alleen mannen worden aangesproken. Slechts de helft van de wereldbevolking. Goed, misschien bevinden zich onder mannen de grootste boeven en zondaren. Maar helemaal prettig is het toch niet. Het mag wel wat gelijkwaardiger en inclusiever.

De grote vraag blijft: hoe lees je deze oude woorden zo’n 3000 jaar later? Voor ons, zou ik zeggen, staan ze niet in steen gebeiteld. Het zijn eerder potloodstrepen, of de krijtstrepen op de stoep waarbinnen kinderen proberen te hinkelen. Het zijn een soort boeien in zee: daarbinnen kun je veilig zwemmen, hoop je, daarbuiten kan het gevaarlijk worden. Zo gaat het vooral om aandachtspunten en richtlijnen. Ze staan iets als onze eigen keuze en onze eigen verantwoordelijkheid niet in de weg. In de tijd van de Reformatie was de sfeer heel anders. Toen werden deze geboden zo populair dat ze her en der in de kerk verschenen, op borden of zoals hier als wandschildering. Want men kende de Bijbel nauwelijks en ook geen goede zeden. Men moest mores te leren – in de positieve zin van het woord. In mores hoor je het woord moraal – daar ontbrak het toen vaak aan en kan het ook nu nogal eens aan ontbreken. De Tien Woorden als een moreel appèl op onze manier van leven. Rommelen we maar wat aan, of zoeken we bewust wat goed en waarachtig is?

Toch is het opvallend dat deze geboden in het Nieuwe Testament niet zo’n grote rol spelen. Jezus noemt er wel een paar, maar nergens alle tien tegelijk. En bij iemand als Paulus, die in zijn brieven vaak oproept tot onberispelijke gedrag, kom je ze ook niet op die manier tegen. Misschien heeft dat met het vierde gebod te maken, het gedenken en heiligen van de sabbat. Daar gingen veel christenen van afwijken, zij kwamen vaak niet op de zaterdag maar op de zondag bijeen. Maar het kan ook zijn dat men liever koos voor de liefde als het gebod waarin alles samenkomt. Zo schrijft Paulus over de liefde als de vervulling van de wet. En Jezus zelf leert de liefde als een dubbelgebod: heb God lief met alles wat in je zit en je naaste als jezelf. Ook dat staat weer op de achterwand van onze kerk, helemaal aan het einde, als samenvatting van de wet. Alle geboden lopen uit op de liefde, zoals Jezus die in het evangelie belichaamt. Hij is de incarnatie, de vleesgeworden liefde, de vleesgeworden hartstocht van God.

Misschien schuurt het vooral daar. In de Tien Geboden krijg je, hoe je het ook wendt of keert, het beeld mee van God als een wetgever. Mensen moeten dan gehoorzamen aan de door hem gegeven regels, om niet gestraft te worden voor hun zonden. Daarop word je aangesproken, daar kan God ‒ de God van het vingertje ‒ je voor laten boeten. Maar als God bovenal liefde is, dan kantelt het perspectief. Dan is God een overmacht aan liefde die ons verrast en verandert, en waar we als vanzelf met wederliefde op reageren. Dan ontstaat er geen sfeer van dit niet en dat niet, maar juist ruimte en vrijheid. Dan gaat er een Geest van liefde waaien waarin mensen elkaar volop laten delen. Dat is wat Paulus om zich heen ziet gebeuren, onder de eerste christenen. Daar maakt het niet uit of je jood of heiden bent, man of vrouw, vrij mens of slaaf. Zonder aanziens des persoons mag ieder mens zich bij God geliefd weten. En zonder aanziens des persoons vraagt Jezus ons elkaar daarom royaal lief te hebben. Dan is God niet de wetgever die je vraagt allerlei regels na te leven. Maar dan daagt een liefdevolle God ons uit tot een door en door liefdevol leven. Amen



 
terug